Está en la página 1de 14

Algemene economische basisprincipes

Deel 1 van 2 : Hoofdstuk 1 t/m 6


Ook verkrijgbaar : Deel 2 : Hoofdstuk 7 tot en met 12

Bronvermelding:
Titel: Algemene economische basisprincipes Eerste druk Auteurs: D.J. de Jong Uitgever: Wolters-Noordhoff ISBN: 9789001301385 Aantal paginas boek : 244 Aantal hoofdstukken boek : 12

De inhoud van dit uittreksel is met de grootste zorg samengesteld. Incidentele onjuistheden kunnen niettemin voorkomen. Je dient niet aan te nemen dat de informatie die Students Only B.V. biedt foutloos is, hoewel Students Only B.V. dat wel nastreeft. Dit uittreksel is voor persoonlijk gebruik en is bedoeld als wegwijzer bij het originele boek. Wij raden altijd aan het bijbehorende studieboek erbij te kopen en dit uittreksel als naslagwerk erbij te houden. In dit uittreksel worden diverse verwijzingen gemaakt naar het studieboek op basis waarvan dit uittreksel is gemaakt. Dit uittreksel is een uitgave van Students Only B.V. Copyright 2008 StudentsOnly B.V. Alle rechten voorbehouden. De uitgever van het studieboek is op generlei wijze betrokken bij het vervaardigen van dit uittreksel. Voor vragen kan je je wenden per email aan info@studentsonly.nl.

Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1 Plaatsbepaling en basisbegrippen Deel 1 Bedrijven, consumenten en overheid Hoofdstuk 2 Vraag Hoofdstuk 3 Aanbod Hoofdstuk 4 Markten Hoofdstuk 5 Overheidsingrijpen in de markten Deel 2 Macro-economie Hoofdstuk 6 Productie en bestedingen Blz. 3 Blz. 4 Blz. 6 Blz. 8 Blz. 11 Blz. 13

www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! Bron : Algemene economische basisprincipes D.J. de Jong

Hoofdstuk 1

Plaatsbepaling en basisbegrippen

1.1 Externe bedrijfsomgeving Externe omgeving: Bedrijven zijn grotendeels afhankelijk van factoren waar ze zelf niets aan kunnen doen. Macro-omgeving : Bestaat uit factoren die invloed hebben op bedrijfsresultaten, maar die een bedrijf nauwelijks of niet kan benvloeden. Directe omgeving : Verschillende partijen op de in- en verkoopmarkten waarmee een bedrijf dagelijks te maken heeft. 1.2 Het centrale economische probleem Alternatieve kosten : Indien er een keuze gemaakt wordt om in te investeren. Elke keuze zorgt voor kosten in de vorm van de opbrengsten van het beste niet gekozen alternatief. Schaarste : Onvoldoende middelen om in de behoeften te voorzien. Welvaart : Mate waarin consumenten m.b.v. beschikbare middelen in hun behoeften kunnen voorzien. Bruto binnenlands prod. : Waarde van diensten en goederen die in een land worden geproduceerd. 1.3 Produceren en consumeren Productiefactoren : Arbeid, kapitaal, ondernemerschap, natuur. Primair inkomen : Hier staat een prestatie tegenover. Budgetmechanisme : De overheid bepaald welke producten en diensten aangeboden worden. Marktmechanisme : Individuele producenten en consumenten bepalen wat er geproduceerd wordt. Allocatie : Het marktmechanisme bepaald welke productiefactoren ingezet worden. 1.4 Economische wetenschappen Micro-economie : Hoe gaan individuele consumenten om met economische problemen. Meso-economie : Op bedrijfstakniveau. Macro-economie : Niveau van een land. 1.5 Economische modellen Ceteris paribus : Bij een model wordt er uitgegaan van bepaalde veronderstellingen. Exogene grootheden : Zij zijn onafhankelijke waarden in een model. Endogene grootheden : Zij zijn afhankelijk van andere grootheden in een model.

www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! Bron : Algemene economische basisprincipes D.J. de Jong

Deel 1 Hoofdstuk 2 Bedrijven, consumenten en overheid

2.1 Vraagbepalende factoren Individuele vraag : De individuele vraag naar een product van een consument. Collectieve vraag : De vraag van alle consumenten samen naar een product. De vraag hangt af van: prijs, behoefte, prijzen andere goederen/diensten, inkomen. 2.2 Behoefte De afgeleide vraag wordt bepaald door producenten. Zij zijn weer goederen/diensten nodig om zelf producten/diensten te kunnen verkopen. 2.3 Prijs Vraagfunctie Inkomenseffect : Het verband tussen de prijs en de vraag van/naar een product. : Indien een prijs daalt, kan de consument met zijn inkomen meer kopen. Substitutie-effect : Als de prijs van een product daalt, kan de vraag toenemen t.o.v. andere producten. Prijselasticiteit : De verandering van de vraag naar een product indien de prijs wijzigt. Prijsinelasticiteit : Een prijswijziging heeft minder effect op de vraag naar een product.

www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! Bron : Algemene economische basisprincipes D.J. de Jong

2.4 Prijzen van andere goederen Kruiselingse prijselast. : De verandering in prijs zorgt voor een verandering van de vraag naar een ander product. Substitutiegoederen : Producten die in dezelfde behoefte voorzien. Ze zijn te vervangen. Complementaire goederen: Goederen die elkaar nodig hebben om te kunnen gebruiken. Denk aan een auto en brandstof. 2.5 Inkomen Inkomenselasticiteit Luxegoed Primaire goederen Inferieure goederen : De verandering in de vraag als het inkomen verandert. : Als de vraag naar een product meer stijgt dan het inkomen. : Vraagt reageert niet of nauwelijks op een inkomensverandering. : Deze hebben een negatieve inkomenselasticiteit.

www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! Bron : Algemene economische basisprincipes D.J. de Jong

Hoofdstuk 3

Aanbod

3.1 Soorten bedrijven Bedrijfskolom Primaire sector Secundaire sector Tertiaire sector Quartaire sector Bedrijfstak Parallellisatie Specialisatie Differentiatie Integratie Rechtsvorm Natuurlijke personen Rechtspersonen Aandelenkapitaal Concern

: De schakels van grondstof tot consument. : Alle bedrijven die grondstoffen onttrekken aan de natuur. : Bedrijven die halffabrikaten en grondstoffen verwerken tot nieuwe producten. : Dienstverlenende bedrijven die naar winst streven. : Dienstverlenende bedrijven die niet naar winst streven (overheid). : Alle bedrijven die op hetzelfde niveau zitten in de bedrijfskolom. : Indien een bedrijf naast de hoofdactiviteiten nog nevenactiviteiten uitvoert. Het assortiment wordt vergroot. : Een bedrijf stoot bepaalde activiteiten af, zodat er nog een beperkt aantal activiteiten blijven bestaan. : De bedrijfskolom wordt langer. Bedrijven besteden bepaalde activiteiten uit om zelf meer op 1 activiteit te richten. : Als afgestoten activiteiten toch weer opgepakt worden. De bedrijfskolom wordt korter. : Eigendom, aansprakelijkheid en beheer zijn hierin geregeld. : Een eenmanszaak en een V.O.F. zijn hier voorbeelden van. De eigenaar is verantwoordelijk/aansprakelijk voor de schulden die het bedrijf evt. heeft. : Denk hierbij aan een B.V. en een N.V. Bij schulden is het bedrijf en niet de eigenaar verantwoordelijk/aansprakelijk. : Aandelenkapitaal bestaat uit het geld dat door de eigenaren van een N.V. of B.V. in het bedrijf gestoken is. : Een concern bestaat uit een moederbedrijf en een aantal dochtermaatschappijen.

3.2 Balans en resultatenrekening Balans : Links op een balans staan de activa (bezittingen). Rechts van de balans staan de passiva (schulden). Vlottende activa : Het bezit aan geld en de bezittingen die binnen een jaar in geld omgezet kunnen worden. Vaste activa : Materiele vaste kapitaalgoederen. Denk hierbij aan gebouwen en machines. Immaterile vaste activa : Goodwill en patenten Financile vaste activa : Deelneming in een andere onderneming. Eigen vermogen : Eigen vermogen is het verschil tussen de waarde van de bezittingen en de schulden. Voorziening : Geld dat gereserveerd wordt voor toekomstige verwachte kosten. Kort vreemd vermogen : Een schuld met een looptijd korter dan twee jaar. Lang vreemd vermogen : Een schuld met een looptijd van langer dan twee jaar.

www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! Bron : Algemene economische basisprincipes D.J. de Jong

Winst- en verliesrekening Winst/verlies Vennootschapsbelasting Inkomstenbelasting Jaarverslag

: Een overzicht van de kosten en opbrengsten van een afgesloten periode. : Het verschil tussen de opbrengsten en kosten. : Over winst bij een rechtspersoon moet vennootschapsbelasting betaald worden. : Over winst bij een natuurlijk persoon moet inkomstenbelasting betaald worden. : N.V.s en B.V.s zijn verplicht jaarlijks een jaarverslag te publiceren (balans, winst- en verliesrekening, toelichting op beiden). Een N.V. moet een uitgebreider verslag opleveren dan een B.V.

3.3 Productie en kosten Productiefunctie : Hiermee kan de maximale productie berekend worden met een daarbijbehorende hoeveelheid arbeid en kapitaal. q = f(A, K) q = maximale productie, A = aantal eenheden arbeid, K = aantal eenheden kapitaal. Productiekosten : Twee soorten: variabele kosten (wel afhankelijk van productieverandering) en constante kosten (niet afhankelijk van productieverandering). Zie: hfst. 3; blz. 43-46; Algemene economische basisprincipes; D.J. de Jong. 3.4 Aanbod op lange termijn Productiecapaciteit : Een verandering van de productiecapaciteit heeft als gevolg een wijziging van de productie. Er zijn drie uitkomsten bij een verdubbeling van de productiecapaciteit: toenemende, afnemende of constante schaalopbrengsten. Zie: hfst. 3; blz. 49; Algemene economische basisprincipes; D.J. de Jong. Schaalvoordelen : Als de kosten per eenheid product dalen bij een uitbreiding van de productiecapaciteit. Schaalnadelen : Onderneming kan te groot worden. Het kan te maken hebben met de afstemming van activiteiten. Min. Efficinte Schaal : Kleinste productiecapaciteit waarbij de gemiddelde kosten minimaal zijn. 3.5 Opbrengsten en winst Break-evenanalyse : Een productieomvang waarbij de totale kosten gelijk zijn aan de totale opbrengst. De winst is dus nihil. Zie: hfst. 3; blz. 53; Algemene economische basisprincipes; D.J. de Jong.

www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! Bron : Algemene economische basisprincipes D.J. de Jong

Hoofdstuk 4

Markten

4.1 Marktstructuren Volkomen concurrentie : Er zijn veel aanbieders. Individuen kunnen geen invloed uitoefenen op de prijs. Monopolie : Er is slechts 1 onderneming die bepaalde producten verkoopt en dus is de prijs te benvloeden. In praktijk komt deze niet echt zuiver voor (NS). Oligopolie : Er zijn weinig aanbieders die elkaar kunnen benvloeden. Monopolistische conc. : Er zijn veel aanbieders die een heterogeen product verkopen. Verschillen : Verschillen in marktvormen rusten op: aantal aanbieders, aard van product en de mate van vrijheid van toetreding. Zie: hfst. 4; blz. 60; tabel 4.1; Algemene economische basisprincipes; D.J. de Jong. 4.2 Volkomen concurrentie Hoeveelheidsaanpasser : Doordat er veel aanbieders zijn, kan de prijs niet benvloedt worden. De hoeveelheid die wordt gekocht of verkocht kan wel bepaald worden. Marktmodel : Vraag en aanbod zijn afhankelijk van de prijs. In een model ziet dat er als volgt uit: qv = -40p +140 P = prijs in euros, qv = gevraagde hoeveelheid, qa = aangeboden hoeveelheid. Evenwichtsprijs : Indien vraag en aanbod bij een bepaalde prijs gelijk zijn. Dit kan aan de hand van het bovenstaande model berekend worden. Marktevenwicht : Indien er een evenwichtsprijs bereikt wordt. E-commerce : Het verkopen van producten via internet. Zie: hfst. 4; blz. 62; figuur 4.2 en 4.3; Algemene economische basisprincipes; D.J. de Jong. 4.3 Monopolie Wettelijk monopolie Technisch monopolie Natuurlijk monopolie Kartel Prijsafzetcurve Maximale winst : : : : De overheid beschermt producten tegen concurrenten. Een bedrijf heeft als enige een bepaalde productiefactor. Door grote schaalvoordelen is er maar voor 1 bedrijf plek. Ondernemingen gaan samenwerken en spreken zaken of om de onderlinge concurrentie te beperken. : De prijs kan bepaald worden, dus de curve geeft aan hoeveel er afgezet wordt bij bepaalde prijzen. : Als marginale opbrengsten gelijk zijn aan marginale kosten, is er maximale winst.

Zie: hfst. 4; blz. 66; figuur 4.5; Algemene economische basisprincipes; D.J. de Jong.

www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! Bron : Algemene economische basisprincipes D.J. de Jong

4.4 Oligopolie Marketingmix Productbeleid Promotiebeleid Plaatsbeleid Prijsbeleid Speltheorie Maximinstrategie Maximaxstrategie Prisoners dilemma

: Voor bedrijven is het belangrijk om vier concurrentieinstrumenten in te zetten. : Productinnovatie houdt in dat bestaande producten verbeterd worden of dat er nieuwe producten ontwikkeld worden. : Niet alleen reclame in de media, maar ook direct marketing. Verder kun je denken aan public relations, beurzen en sponsoring. : De plaats is belangrijk voor de afzet. Het ligt aan het soort product wat je verkoopt op hoeveel plekken het verkrijgbaar moet zijn. : Bij heterogeen oligopolie komt prijsconcurrentie nauwelijks voor. : Dit houdt in dat het lastig is om een model te ontwikkelen, aangezien bedrijven reageren op elkaars gedrag. : De minimaal mogelijke winst wordt gemaximaliseerd. : De maximaal haalbare winst. : Een situatie waarbij er een slechter resultaat wordt behaald dan mogelijk is.

4.5 Prijsdiscriminatie en prijsdifferentiatie Prijsdiscriminatie : Voor verschillende groepen mensen andere prijzen hanteren. Drie voorwaarde : Deelmarkten moeten gescheiden zijn, bedrijf moet een sterke positie op de markt hebben, de prijselasticiteit van de vraag moet per deelmarkt anders zijn. Prijsdifferentiatie : Bedrijven brengen verschillende modellen op de markt. Er is eenzelfde product, maar door een aanpassing van het product kunnen er verschillende prijzen gehanteerd worden. 4.6 Monopolistische concurrentie Zie: hfst. 4; blz. 47 en 48; Algemene economische basisprincipes; D.J. de Jong. 4.7 Vijfkrachtenmodel van Porter Interne concurrentie : Concurrentie tussen bedrijven onderling. Toetredingsdrempels hebben verschillende oorzaken: Bestaan van schaalvoordelen, toegang tot distributiekanalen, specialisatie van activa, regulering van de overheid, patenten en intellectuele eigendomsrechten. Zie: hfst. 4; blz. 75 en 76; Algemene economische basisprincipes; D.J. de Jong.

www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! Bron : Algemene economische basisprincipes D.J. de Jong

4.8 Concurrentie en productlevenscyclus Door productinnovatie verandert voortdurend het aanbod op de markt. Bestaande producten worden aangepast en nieuwe producten worden ontwikkeld. Een product komt in een aantal fasen terecht (productlevenscyclus): Introductiefase : Er is sprake van een oligopolie of een monopolie. De prijzen zijn nog erg hoog. Groeifase : De vraag naar het product stijgt. De markt is nu ook aantrekkelijk voor andere aanbieders. Rijpheidsfase : De meeste mensen hebben het product inmiddels. Slechte aanbieders verdwijnen van de markt. Stagnatiefase : Er is alleen nog sprake van vervanging door consumenten. Concurrentie wordt een strijd om te overleven.

www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! Bron : Algemene economische basisprincipes D.J. de Jong

10

Hoofdstuk 5

Overheidsingrijpen in markten

5.1 Marktfalen In theorie werken de markten zo goed dat de uitkomsten ideaal moeten zijn. In praktijk blijkt dit anders. De overheid bemoeit zich dan ook met de economie. Redenen voor overheidsingrijpen: Stabilisatie : De economie groeit het ene jaar sterker dan het andere jaar. Ook niet alle productiefactoren worden ingezet. De arbeidsmarkt vooral niet. De overheid zorgt voor een stabielere en gelijkmatige economische groei. Allocatie : Productiefactoren worden niet altijd op de gewenste manier ingezet. Veel economische beslissingen hebben gevolgen op kosten en opbrengsten van de betrokken en voor andere partijen. Inkomensverdeling : De inkomensverdeling wordt door veel mensen als ongelijk en niet eerlijk gezien. 5.2 Externe effecten Optimale situatie Externe effecten Positieve effecten Negatieve effecten : Indien producenten maximale winst halen en consumenten maximale welvaart hebben. : Kosten of opbrengsten van productie of consumptie die de producent of consument van goederen en diensten niet ervaart. : Denk hierbij aan inentingen tegen kinderziekten. : Broeikaseffect, zure regen, etc.

5.3 De overheid als producent Individuele goederen : Als bedrijven goederen splitsen in individuele porties. Collectieve goederen : Twee kenmerken: zij zijn niet-rivaliserend, niemand kan uitgesloten worden van het gebruik hiervan. Merit goods : Overheid vindt het belangrijk dat mensen gebruik maken van sommige producten. Denk aan theaterbezoek, etc. Demerit goods : Overheid heeft liever niet dat mensen hiervan gebruik maken: tabak, alcohol. 5.4 Ingrijpen in marktgedrag Mededingingswet : Hierin staat dat alle concurrentiebeperkende afspraken verboden zijn. Uitzondering hierop is als de welvaart er beter op wordt. NMa : De Nederlandse Mededingingsautoriteit. Zij kijken of de mededingingswet goed uitgevoerd wordt. OPTA : Toezien op naleving van wetten en regels die de concurrentie beperken op gebied van post en elektronische communicatiediensten. Maximumprijs : De overheid kan afwijken van de prijs die door de markt tot stand komt. De overheid kan een maximumprijs instellen. Denk bijv. aan huizen. Minimumprijs : De overheid kan ook een minimumprijs instellen. Denk bijv. aan melk.
www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! Bron : Algemene economische basisprincipes D.J. de Jong 11

5.5 Overheidsingrijpen in de inkomensverdeling Sociaal minimum : De overheid heeft bepaald dat iedereen in Nederland recht heeft op een sociaal minimum. Stelsel van sociale zekerheid : Iedereen ontvangt een bepaald inkomen, ongeacht de situatie. Sociale verzekeringen Werknemersverz. Volksverzekeringen Sociale voorzieningen Sociale premies : Verplichte verzekeringen tegen de financile gevolgen van werkloosheid, arbeidsongeschiktheid, ziekte en ouderdom. : Hier heb je recht op als je hiervoor betaald hebt. : Het recht op een uitkering en de hoogte hiervan hangen niet af van het betalen van een bepaalde premie. : Indien mensen hun werk niet meer kunnen uitoefenen. : Sociale verzekeringen worden betaald uit de sociale premies die door de overheid gend worden.

5.6 Overheidsfinancin Collectieve sector : De overheid en de instellingen die de sociale verzekeringen uitvoeren. Belastingen : betalingen aan de overheid, waarvoor geen tegenprestatie wordt verwacht. Indirecte belastingen : Deze worden geheven als er een product en dienst wordt aangeschaft. Denk aan accijnzen en btw. Directe belastingen : Belastingen op inkomen, vermogen en winst. Rijksbegroting : De overheid maakt jaarlijks een overzicht van de soorten uitgaven. Profijtbeginsel : Afhankelijk van hoeveel gebruik wordt gemaakt van de diensten van de overheid. Draagkrachtbeginsel : Mensen betalen belasting n.a.v. hun draagkracht. Inkomstenbelasting : Progressief tarief. Iedereen krijgt een heffingskorting. Daarna volgt het schijventarief. Financieringstekort : Verschil tussen inkomsten en uitgaven van het rijk excl. aflossing schuld. Begrotingstekort : Verschil tussen inkomsten en uitgaven van het rijk incl. aflossing schuld. Staatsschuld : Schuld van het rijk. Schuld neemt met het bedrag van het financieringstekort toe. 5.7 Overheidsfalen Deregulering Privatisering Wig

: Vermindering van het aantal regels waaraan bedrijven zich moeten houden. : Twee vormen: afstoting van taken van de marktsector en uitbesteding van taken aan de marktsector. : Het verschil tussen nettoloon en de loonkosten.

Loonkosten per eenheid product : De concurrentiepositie verslechterd als de loonkosten per eenheid product in een bepaald land sterker stijgt dan in andere landen.

www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! Bron : Algemene economische basisprincipes D.J. de Jong

12

Deel 2

Macro-economie Productie en bestedingen

Hoofdstuk 6

6.1 Productie Productiecapaciteit Consumptiegoederen Kapitaalgoederen Afschrijvingen

: Geeft weer hoeveel goederen en diensten m.b.v. productiefactoren geproduceerd kunnen worden per periode. : Voorzien meteen in de behoeften van consumenten. : Geproduceerde goederen waarmee andere goederen en diensten mee gemaakt kunnen worden. : De jaarlijkse waardevermindering van het kapitaalgoed als gevolg van technische en economische slijtage.

6.2 Toegevoegde waarde, productie en inkomen Bruto toegevoegde waarde : Het verschil tussen de waarde van de omzet van dat bedrijven en de van andere bedrijven gekochte kapitaalgoederen (grondstoffen, halffabrikaten, hulpstoffen). Bruto Nationaal product : De totale omzet van de bedrijven op te tellen. De totale kosten van de ingekochte kapitaalgoederen daarvan af te trekken. Netto nationaal product : Bruto nationaal product vervangingsinvesteringen. Formele economie : Tekortkoming van het bbp als maatstaf voor de nationale welvaart die niet in de openingscasus naar voren is gekomen. Informele economie : De waarde is niet vastgelegd. Binnenlands product tegen factorkosten : Bij de berekening van het binnenlands product tegen factorkosten worden alleen de kosten van de binnenlandse productiefactoren meegeteld Netto nationaal product tegen factorkosten : Het Netto nationaal product tegen factorkosten is gelijk aan de optelsom van het binnenlands product tegen factorkosten plus de per saldo uit het buitenland ontvangen vergoedingen voor het inzetten van binnenlandse productiefactoren in het buitenland. Nominaal nationaal inkomen : Totaal inkomen dat in een land in ontvangst wordt genomen. Reel nationaal inkomen : Koopkracht van het Nationaal inkomen. Het indexcijfer voor het rele nationale inkomen: Indexcijfer nominaal nationaal inkomen x 100 prijsindexcijfer

www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! Bron : Algemene economische basisprincipes D.J. de Jong

13

6.3 Bestedingen Finale bestedingen : Worden gevormd door de vraag naar eindproducten. Intermediaire bestedingen: Vraag naar goederen en diensten die in de productie van finale goederen en diensten verbruikt worden. Particuliere consumptie : Bestedingen van gezinnen. Particuliere investeringen : Afhankelijk van: rente, inkomen, consumentenvertrouwen, vermogen en belastingtarieven. Vervangingsinvesteringen : versleten kapitaalgoederen te vervangen. Productiecapaciteit blijft gelijk. Uitbreidingsinvesteringen : Aankoop van kapitaalgoederen om productiecapaciteit te vergroten. Voorraadinvesteringen : Veranderingen in de voorraad vlottende kapitaalgoederen. Netto-investeringen : Uitbreidings- en voorraadinvesteringen samen. Bruto-investeringen : Netto-investeringen + vervangingsinvesteringen. Nationale bestedingen : Totale bestedingen van bedrijven, gezinnen en overheid.

www.studentsonly.nl Voor de beste uittreksels ! Bron : Algemene economische basisprincipes D.J. de Jong

14