Está en la página 1de 14

Bedrijfseconomie

H10
Interne financiering = Inhouden van winsten.
Externe financiering = Eigen of vreemd vermogen aantrekken.
Secundaire geldstromen = De geldstromen van en naar de vermogensmarkt.
Claim = Dividendbewijs met een bepaald nummer dat recht geeft op het kopen van nieuwe
aandelen.
Emissieprijs = De prijs die bij uitgifte van de nieuwe aandelen per nieuw aandeel moet
worden betaald.
Nominale waarde = Waarde van de aandelen zoals deze in de statuten staat vermeld van de
nv.
Agio = Verschil tussen de emissieprijs en de nominale waarde.
Underwriter = Mensen die zich garant stellen voor het kopen van aandelen van mensen die
geen gebruik willen maken van hun claim.
Eigen vermogen = Vermogen dat permanent aan de onderneming beschikbaar is gesteld.
Zolang de onderneming niet geliquideerd wordt, is de onderneming niet verplicht dit eigen
vermogen aan de verschaffers van het eigen vermogen ter te betalen.
Eigenvermogen is in handen van:
- De onderneming als deze een rechtspersoon is (bv, nv).
- De eigenaar of eigenaren van een onderneming.
Eigen vermogen wordt ook wel ondernemend of risicodragend vermogen genoemd.
Bij een nv en bv kan het eigen vermogen toenemen door bijvoorbeeld:
- Inhouden winst (winstreserve).
- Waarde stijging activa (herwaarderingsreserve).
- Nieuwe stortingen aandeelhouders
Het eigenvermogen kan bij een bv of nv afnemen door:
- Verlies.

- Terugbetalingen aan aandeelhouders.


- Uitkering dividend.
Dividend = De winstuitkering aan de aandeelhouder.
Maatschappelijk kapitaal = Het maximale bedrag (gemeten in nominale waarde) waarvoor
aandelen kunnen worden uitgegeven door de nv of bv zonder dat een statutenwijziging
noodzakelijk is.
Geplaatst aandelenkapitaal = Het gedeelte van het maatschappelijk kapitaal dat is geplaatst
Gestorte aandelen kapitaal = Het gedeelte van het geplaatste aandelenkapitaal dat door de
aandeelhouders gestort is.
2 Betekenissen aandeel:
- Een gedeelte van het maatschappelijk kapitaal van een nv of bv.
- Een schriftelijk bewijs van aandeel.
De nominale waarde van een aandeel is van belang in de volgende gevallen:
- Bij de balanswaardering.
- Bij niet-volgestorte aandelen; de houders van niet-volgestorte aandelen kunnen bij een
faillissement worden verplicht hun aandeel vol te storten tot aan de nominale waarde.
- Bij een dividenduitkering.
Boekwaarde EV =

Nominaal eigen vermogen + reserves.


Boekwaarde van de activa boekwaarde vreemd vermogen.

De intrinsieke waarde (van het eigenvermogen) van een onderneming = de marktwaarde van
de activa de boekwaarde van het vreemd vermogen.
Intrinsieke waarde 1 aandeel = Intrinsieke waarde EV / totaal geplaatste aandelen.
Beurswaarde = De waarde van een aandeel die op de effectenbeurs tot stand komt.
Preferente aandelen = Aandelen waaraan voor de houders bepaalde voorrechten zijn
verbonden:
- Zeggenschap/beheer (prioriteitsaandelen)
- Verdeling van eventueel overschot in geval van liquidatie van een onderneming.
- De winstverdeling. (winstpreferente aandelen)
- Preferente aandelen; hier worden bij een winstverdeling een in de statuten vastgelegd
dividendpercentage uitgekeerd voordat het dividend aan de houders van gewone
aandelen wordt toegekend.
- Cumulatief preferente aandelen; Als achterstallige dividend nog kan worden
uitgekeerd.
- Preferente, winstdelende aandelen; kunnen een gedeelte van de overwinst ontvangen.
- Cumulatief preferente, winstdelende aandelen; geven recht op achterstallig dividend
en op overwinst.
Interim-dividend = Als er gedurende het boekjaar vooruitlopend op de definitieve dividend
alvast wat dividend wordt uitgekeerd.

Slotdividend = Het verschil tussen het definitieve dividend en het interim-dividend, dat aan
het einde van het boekjaar wordt uitgekeerd.
Stockdividend = Een dividenduitkering in de vorm van aandelen.
Cashdividend = Een dividenduitkering in de vorm van cash.
Keuzedividend = Als je kunt kiezen tussen cash- of stockdividend.
Emissie van aandelen = Uitgifte van nieuwe gecreerde aandelen.
Onderhandse uitgifte = Als de aandelen worden uitgegeven aan een kleinere groep
belanghebbende.
Openbare emissie = Nv, aandelen kunnen gekocht worden door elke belegger.
Emissiesyndicaat of consortium = Groep van banken en/of commissionairs die de
onderneming van advies dienen en de emissie begeleiden.
Prospectus = Bevat naast emissievoorwaarden, informatie over de emitterende onderneming.
Guichet-emissie = Emissie waarbij een consortium van banken zijn kantoren beschikbaar stelt
voor de verkoop van aandelen. Het consortium draagt bij deze emissie niet het risico van
eventuele mislukken van de emissie.
Overgenomen of gegarandeerde emissie = Het zelfde als een Guichet-emissie alleen neemt
het consortium nu vooraf alle aangeboden aandelen over. Zo komt bij eventueel mislukken het
risico bij het consortium te liggen. Deze moet de overige aandelen voor een van te voren
afgesproken prijs overnemen. Het consortium vervuld dan ook de rol van underwriter.
Wijze van emitteren:
- Vrij emissie; iedereen kan zich inschrijven voor een aantal aandelen.
- Voorkeursdemissie; bepaalde groep belanghebbende krijgen voorrechten. Deze worden
toekend aan degenen die al aandelen van deze onderneming bezitten.
Claimemissie = Hierbij krijgen zittende aandeelhouders voorrang bij het aankopen van
nieuwe aandelen.
Bonusaandelen = Nieuwe aandelen die gratis aan de aandeelhouders wordt verstrekt bij
herkapitalisatie. De nieuwe aandelen kunnen ten laste van de winstreserve (stockdividend,
moet dividend belasting over betaald worden) komen of ten laste van de agioreserve
(agiobonus).
Herkapitalisatie = Een verandering binnen het eigen vermogen waarbij de omvang van het
eigen vermogen ongewijzigd blijft.
Afstempelen = De nominale waarde van de aandelen verlagen of zo verliezen op te vangen.

Aandelensplitsing = Zelfde hals herkapitalisatie?


Inkoop eigen aandelen = Aandelen van beleggers terug kopen.
Het eigenvermogen van een nv en bv bestaat naast het aandelenvermogen ook uit serverves:
- Agioreserve; ontstaat wanneer er aandelen worden uitgegeven boven de prijs van de
nominale waarde.
- Winstreserve; als de onderneming een deel van de winst niet uitkeert aan de aandeelhouders.
Kan ook worden gebuikt voor dividendstabilisatie in slechtere jaren.
- Herwaarderingsreserve; ontstaat door een waardestijging van de activa.
Reserves zijn ook nog op een andere manier in te delen:
- Open reserve; omvang en bestaan zijn uit de balans af te leiden (agio- en winstreserve).
- Stille reserve; bestaan blijkt wel uit de balans maar omvang niet.
- Geheime reserve; nog bestaan nog de omvang is uit de balans af te leiden.
H11
De verschaffers van vreemd vermogen zijn schuldeisers van de onderneming.
Vreemd vermogen, ook wel: - Tijdelijk vermogen.
- Niet-ondernemend of niet-risicodragend vermogen.
Eigen vermogen ook wel:
- Permanent vermogen genoemd.
Bij de beindiging van een onderneming wordt eerst het vreemd vermogen terug betaald. De
verschaffers van eigen vermogen lopen daarom meer risico dan de verschaffers van vreemd
vermogen.
Vreemd vermogen lange termijn en vreemd vermogen korte termijn: Grens is 2 jaar.
Geldmarkt: Leningen korter dan 2 jaar.
Kapitaalmarkt: Leningen langer dan 2 jaar. (Aandelenmarkt)
Vermogensmarkt = Geheel van financile markten en financile instellingen. (Geldmarkt en
kapitaalmarkt)
Lang vreemd vermogen en kort vreemd vermogen: Grens 1 jaar.
Er zijn verschillende soorten vreemd vermogen op lange termijn:
1. Obligatieleningen
2. Converteerbare obligaties
3. Overige leningen
1. Obligatieleningen:
Een obligatielening is een lening die verdeeld is over een groot aantal schuldbekentenissen die
obligaties worden genoemd (obligatie = verplichting).
Obligaties hebben een nominale waarde en zijn gesteld aan toonder, waardoor ze goed
verhandelbaar zijn.

Obligaties kunnen uitgegeven worden door:


- Ondernemingen, zoals nvs, bvs, stichtingen en coperaties.
- Overheden, zoals de Nederlandse Staat (staatsobligaties), provincies en steden.
- Hypotheekbanken (pandbrieven).
- Verenigingen.
Een klassieke obligatie bestaat uit een mantel en een couponblad. Een coupon kun je
inleveren tegen interest.
Trustee (vertrouwenspersoon) = Behartigt de gezamenlijke belangen van obligatiehouders.
Bulletlening = Als je de lening in een keer aflost.
Ook kunnen leningen in meerdere delen worden afgelost.
Obligatieleningen kunnen door de schuldenaar vervroegd worden afgelost. Ook kan in de
toekomst als de interest daalt, een obligatielening met een hoge interest vervroegd worden
afgelost en vervangen worden door een obligatie met lage interest.
Uit de opbrengsten van pandbrieven gebruiken hypotheekbanken om nieuwe hypothecaire
leningen te verstrekken.
Een belegging in staatsobligaties wordt risicovrij beleggen genoemd.
Hypothecaire obligatielening = Als de onderneming het recht van de hypotheek aan de
vermogensverschaffers geeft in geval van dreiging van faillissement. Het bedrijf verkoopt dan
een onroerend goed.
Achtergestelde obligatieleningen = Obligatiehouders met minder rechten dan alle of bepaalde
schuldeisers van de onderneming genoegen nemen.
Achtergestelde obligatieleningen worden afgelost nadat de niet achtergestelde schulden van
de organisatie zijn voldaan.
Kapitaalobligaties = Achtergestelde obligaties die met namen door financile instellingen zijn
uitgegeven.
2. Converteerbare obligaties:
Een converteerbare obligatie is een obligatie die gedurende een bepaalde periode en onder
bepaalde voorwaarden omgewisseld kan worden in aandelen.
De koper van een converteerbare obligatie heeft het recht, niet de plicht om de obligatie om
te wisselen in aandelen.
De voorwaarde waartegen de obligatielening wordt uitgegeven worden bij aanvang van de
lening vastgelegd. Dit kan betrekking hebben op:
- De hoogte van de interestvergoeding.
- De omwisselingsverhouding: het aantal converteerbare obligaties dat ingewisseld moet
worden om n aandeel te verkrijgen.

- De periode waarbinnen er kan worden geconverteerd.


- De omvang van de bijbetaling bij omwisseling.
- De mogelijkheid tot vervroegde aflossing.
Als houders van converteerbare obligaties van hun recht gebruik maken, zal het vreemd
vermogen afnemen, en het eigen vermogen toenemen.
Conversiewaarde = De waarde van een converteerbare obligatie in het geval dat de obligatie
omgewisseld zal worden in aandelen.

3. Overige leningen:
De onderhandse lening = Een langlopende lening die wordt verstrekt door een of enkele
geldgevers en tot stand komt in onderling overleg met de geldnemer. (onderhands wil zeggen:
buiten de kapitaalmarkt om).
Een onderhandse lening heeft zowel voor de geldgever als voor de geldnemer voordelen ten
opzichte van een obligatielening, die via de kapitaalmarkt tot stand komt:
- Door het rechtstreekse contact tussen geldgever en geldnemer kunnen in onderling overleg
de leningsvoorwaarden worden vastgesteld. (maatwerk is mogelijk)
- Het overleg tussen beide partijen is mogelijk zonder dat de ondernemingsplannen openbaar
moeten worden gemaakt.
- De onderhandse lening brengt minder kosten met zich mee. (geen emissiekosten , geen
advertentiekosten etc.)
- Waarde is niet onderhevig aan beurschommelingen. (is ook gelijk een nadeel: het is niet
makkelijk om een lening van een hoog bedrag aan n iemand te vragen)
De voordelen voor de geldnemer worden echter teniet gedaan door de hogere interest die over
een onderhandse lening moet worden betaald.
Hypothecaire lening = Is een onderhandse lening waarbij, tot meerdere zekerheid voor de
geldgever, het recht van hypotheek is verleend.
Achtergestelde leningen = een krediet waarbij de schuldeiser in het geval van faillissement
van de schuldenaar wordt achtergesteld: de achtergestelde schuldeiser komt in een
faillissement in de volgorde van schuldeisers dus achter de concurrente ('gewone')
schuldeisers zoals de werknemers en de banken.
De geldmarkt is de vraag naar en het aanbod van financile transacties met een looptijd korter
dan twee jaar.
Herfinancieringsrente = Belangrijkste tarief van de ECB, op basis waarvan grote banken hun
rekeningen-courant-tarieven vaststellen.

Euribor = Het gemiddelde van rentetarieven (met uitzondering van de hoogste en laagste
waarden) waartegen banken in het eurogebied bereid zijn interbancair euros uit te lenen.
We bespreken de volgende vormen van vreemd vermogen op korte termijn:
1. Rekening-courantkrediet.
2. Leverancierskrediet.
3. Afnemerskrediet.
4. Nog te betalen bedragen.
1. Rekening-courantkrediet:
Een rekening-courant of een lopende rekening = Een betaalrekening die een klant aanhoudt
bij een bank. Interest vergoeding zeer gering. In sommige gevallen staat de bank een negatief
saldo toe.
Termijndeposito = Een tegoed van een clint bij een bank waarover de clint slechts na afloop
van een bepaalde periode over kan beschikken.
2. Leverancierskrediet:
Er is spraken van een leverancierskrediet als een leverancier aan zijn afnemer goederen op
rekening verkoopt: de leverancier verleent leverancierskrediet, de afnemer ontvangt
leverancierskrediet.
De korting die de afnemer misloopt door uitstelling van betaling moet als kosten worden
gezien.
3. Afnemerskrediet:
Er is sprake van afnemerskrediet als een afnemer aan de leverancier goederen (of diensten)
vooruitbetaalt: de afnemer verleent afnemerskrediet, de leverancier ontvangt afnemerskrediet.
Wordt meestal gedaan om praktische redenen: Bijvoorbeeld risico van niet betalen (bij
voetbalwedstrijd).
4. Nog te betalen bedragen:
Bedragen die nog aan de leverancier betaald moeten worden omdat er gebruik is gemaakt van
leverancierskrediet.
Voorziening = Een verplichting waarvan (op de balansdatum) het moment van ontstaan en de
omvang niet exact bekend zijn, maar waarvan de omvang wel kan worden geschat. Ze worden
tot het vreemd vermogen van een onderneming gerekend, omdat het een verplichting is.
Voorbeelden van voorzieningen zijn:
- Pensioenvoorziening.
- Garantievoorziening.
- Voorziening groot onderhoud.
Als een voorziening achteraf helemaal niet nodig blijkt, kan het tot het eigen vermogen
worden gerekend.
MKB-ondernemingen hebben geen beursnotering en kunnen dan ook geen beroep doen op de
vermogensmarkt door het uitgeven van obligaties.

Bij het verstrekken van krediet aan MKB-ondernemingen loopt de bank meer risico (omdat ze
geen volledig financieel overzicht hebben), en wordt de rente dus hoger.
H12
Het doel van de analyse van de financile structuur is inzicht te krijgen in de factoren die de
resultaten van een organisatie bepalen.
De analyse van de financile structuur is vooral van belang voor:
- Leiding van de organisatie.
- Verschaffers van eigen vermogen.
- Verschaffers van vreemd vermogen.
- De werknemers van de organisatie.
- De overheid.
Bij de beoordeling van de financile structuur van een organisatie leggen we verband tussen
de financile middelen (eigen en vreemd vermogen), die aan de organisatie beschikbaar zijn
gesteld, de wijze waarop deze middelen in de organisatie zijn aangewend (samenstelling van
activa) en de resultaten die met deze activa behaald zijn.
Om de informatieverstrekking aan de externe belanghebbende te waarborgen, heeft de
overheid wettelijke eisen opgesteld.
Financile structuur = Omvat alle factoren die van invloed zijn op de financile resultaten van
een organisatie.
Bij grote organisaties is de CFO (Chief Financial Officer) belast met de financile gang van
zaken in de organisatie.
De Corporate Conctroller is voornamelijk verantwoordelijk voor de operationele activiteiten.
De controller stelt budgetten op en voorziet het management van informatie voor het besturen
van het inkoopproces, het primair proces (productieproces) en het verkoopproces.
1. Activastructuur:
Activa zijn goederen die door de onderneming zijn aangeschaft.
- Vast
- Vlottend
2. Vermogensstructuur:
De vermogensstructuur van een organisatie is de wijze waarop het vermogen van een
organisatie is samengesteld. (verhouding eigen en vreemd vermogen)
3. Financile structuur:
De financile structuur wordt groten deels bepaald door de activa- en de vermogensstructuur.
Ook factoring en operationele lease hebben invloed op de financile structuur.
Partile financiering = Als aan een bepaald soort activa een bijpassende financieringswijze
wordt gekoppeld. Bijv.:
- Grond en gebouwen; hypothecaire lening.

- Voorraden; die worden gefinancierd met leverancierskrediet.


- Machines; financial lease.
Bij totale financiering zoeken we niet bij iedere soorten activa een bijpassende financiering,
maar gaan we uit van de totale financieringsbehoefte.
Goudenbalansregel = De vaste activa en het vaste gedeelte van de vlottende activa moeten
worden gefinancierd met eigen vermogen en/of vreemd vermogen op lange termijn. Het
overige deel van de vlottende activa kan worden gefinancierd door kort vreemd vermogen.
Het eigen vermogen vervuld een bufferfunctie; als de resultaten van de organisatie negatief
zijn, wordt allereerst het eigen vermogen van de organisatie aangesproken.
In de statuten bij een nv staat de winstbestemming vermeld.
Keuzedividend = Keuze tussen dividend in cash of in aandelen.
Rentabiliteit = Winst / Genvesteerd vermogen * 100%
Winst heeft betrekking tot een periode en is dus een stroomgrootheid.
Het genvesteerde vermogen is een voorraadgrootheid omdat de balans de omvang van het
vermogen op n bepaald moment weergeeft.
Als het genvesteerde vermogen na een tijd gaat fluctueren moet men het gemiddeld
genvesteerd vermogen berekenen. Dit kan dan als een stroomgrootheid worden gezien.
Je moet altijd stroomgrootheden met stroomgrootheden vergelijken, en voorraadgrootheden
met voorraadgrootheden.
Recente prijzen = Actuele verkoopprijzen.
Historische prijzen = Prijzen die bij de aanschaf van de productiemiddelen zijn betaald.
De kengetallen die we berekenen om de financile prestaties van een organisatie te
beoordelen, kunnen betrekking hebben op:
- De rentabiliteit.
- De liquiditeit.
- De solvabiliteit.
- De efficiency van de activiteiten.
- De winstgevendheid van de beleggingen.
Rentabiliteit = Winst (gedurende bepaalde periode) / Genvesteerd vermogen (gedurende
bepaalde periode, gemiddeld genvesteerd vermogen) * 100%
Brutowinstmarge = (Omzet excl. Btw kosten van de omzet excl. Interestkosten) / Omzet
excl. Btw * 100%
Rentabiliteit totaal vermogen = Bedrijfsresultaat / Gemiddeld eigen vermogen * 100%

Nettowinstmarge = Winst na belasting / Omzet excl. Btw * 100%


Rentabiliteit eigen vermogen = Winst na belasting / Gemiddeld eigen vermogen * 100%
KVV = Interestkosten / gemiddeld vreemd vermogen * 100%
RTV groter dan KVV = positieve hefboomwerking.
RTV kleiner dan KVV = Negatieve hefboomwerking.
Totale winst vreemd vermogen = (RTV KVV) * VV
Hefboomfactor = VV/ EV
Bedrijfsrisico = De mate waarin de RTV afwijkt van de gemiddelde RTV.
Liquide = Als een organisatie op ieder moment in staat is om aan haar betalingsverplichting te
voldoen.
Dynamische liquiditeit = De bewaking van de liquiditeit die op basis van de verwachte
ingaande en uitgaande geldstromen plaatsvindt.
Statische liquiditeit = Hierbij gaan we na of een organisatie op een bepaald moment liquide is.
Liquiditeitsbegroting = Een overzicht van de verwachte ingaande en uitgaande geldstromen.
Current ratio = Vlottende activa / Vlottende passiva ( 1 of hoger, niet liquide)
De current ratio geeft een indruk van de liquiditeit op korte termijn.
Window dressing = Handelingen van de organisatie om de financile structuur een
rooskleurig aanzien te geven.
Liquiditeitsbalans = Een balans waarop de activa gerangschikt zijn naar de mate van
liquiditeit.
De omvang van het nettowerkkapitaal is een andere maatstaaf om de statische liquiditeit te
meten.
Nettowerkkapitaal = Vlottende activa Vlottende passiva
Nettowerkkapitaal = Eigen vermogen + Vreemd vermogen op lange termijn Duurzame
activa.
Quick ratio = (Vlottende activa Voorraden) / Vlottende passiva
Solvabiliteit = De mate waarin de organisatie in geval van liquidatie in staat is aan haar
verplichtingen ten opzichte van de verschaffers van vreemd vermogen te voldoen.
Organisatie is solvabel wanneer de waarde van de activa meer bedraagt dan het totaal vreemd
vermogen.

De debt ratio vergelijkt de omvang van het vreemd vermogen met de omvang van het totaal
vreemd vermogen.
Debt ratio = Vreemd vermogen / Totaal vermogen
Leencapaciteit = Mogelijkheden van een organisatie om nieuw vreemd vermogen aan te
trekken.
Garantievermogen = Eigen vermogen + Achtergesteld vreemd vermogen.
De behoefte aan vreemd vermogen kan een bedrijf beperken door gebruik te maken van
leasen.
Het weerstandsvermogen is het vermogen van een organisatie om verliezen op te vangen en
faillissement te voorkomen.
Weerstandsvermogen = Eigen vermogen / Totaal vermogen
Solvabiliteitspercentage = Eigen vermogen / Totaal vermogen * 100%
Activiteitskengetallen berekenen we om inzicht te krijgen in de doelmatigheid van het gebruik
van de productiemiddelen van de onderneming.
Omloopsnelheid voorraad = Omzet in verkoopprijzen excl. Btw / Gemiddelde voorraad
Voorraad waarderen we meestal tegen de inkoopprijzen. Maar in de praktijk gebruiken we
voor de berekening van omloopsnelheden en voor de brutowinstmarge de omzet in
verkoopprijzen.
Opslagduur van goederen in dagen: (1 / Omloopsnelheid van de voorraad) * 365 =
(Gemiddelde voorraad gedurende het jaar / Jaaromzet in verkoopprijzen excl. btw) * 365
Gemiddeld krediettermijn van debiteuren (verleende leverancierskrediet) =
(Gemiddelde debiteurensaldo / Verkopen op rekening incl. btw) * 365
Gemiddelde krediettermijn van crediteuren (ontvangen leverancierskrediet) =
(Gemiddelde crediteurensaldo / Inkopen op rekening incl. btw) * 365
Nettowerkkapitaal = Voorraden + Debiteuren Crediteuren
Omloopsnelheid van het totaal vermogen (in dagen) =
(Omzet (in verkoopprijzen) excl. Btw / Gemiddeld totaal vermogen) * 365 dagen
Een hoge omloopsnelheid is niet altijd een goed teken, bijvoorbeeld wanneer een bedrijf heel
veel oude activa heeft waar al veel op is afgeschreven.
De bruikbaarheid van de financile analyse op basis van kengetallen wordt als volgt vergroot:
- Door de vergelijking van kengetallen van n onderneming die op verschillende momenten
zijn berekend.
- Door vergelijking van kengetallen bij verschillende ondernemingen uit dezelfde branche:
externe bedrijfsvergelijking of branchevergelijking.

De kengetallen die beleggers gebruiken kun je verdelen in twee groepen:


1. Kengetallen die uitgaan van de uitgekeerde winsten:
- Dividendrendement
- Pay-out ratio
2. Kengetallen die uitgaan van de beurskoers van het aandeel:
- Koersrendement
- Koers-winstverhouding
- Verhouding koers-cashflow
- Verhouding koers-intrinsieke waarde
Dividendrendement =
(Uitgekeerde winst per aandeel / Beurswaarde van het aandeel begin boekjaar) * 100%
De pay-out ratio geeft aan welk gedeelte van de winst wordt uitbetaald aan dividend.
Pay-out ratio = Dividend per aandeel / Winst na belasting per aandeel
Koersrendement = (Beurswaarde van het aandeel aan het einde van het jaar
Beurswaarde van het aandeel aan het begin van het jaar) /
Beurswaarde van het aandeel aan het begin van het boekjaar * 100%
Koers-winstverhouding = Beurswaarde aan einde boekjaar / Winst na belasting per aandeel
Koers-cashflowverhouding = Beurswaarde aan einde boekjaar / Cashflow per aandeel
Koers-intrinsieke-waardeverhouding =
Beurswaarde aan einde boekjaar / Intrinsieke waarde per aandeel
CFO bewaakt de financile structuur van een organisatie
Financial manager = De functionaris binnen een organisatie die verantwoordelijk is voor een
goede afstemming tussen de vermogensbehoeften en de wijze waarop daarin kan worden
voorzien. Tot zijn taken behoren:
- Onderling afstemmen van ingaande en uitgaande geldstromen.
- Beoordelen van investeringsalternatieven.
- Het onderhouden van contacten met de verschaffers van vermogen.
- Het valutabeheer.
Bij kleinere organisaties wordt de financile functie slechts door een persoon uitgevoerd, deze
heet de controller.
Formules
Rentabiliteit = Winst (gedurende bepaalde periode) / Genvesteerd vermogen (gedurende
bepaalde periode, gemiddeld genvesteerd vermogen) * 100%

Brutowinstmarge = (Omzet excl. Btw kosten van de omzet excl. Interestkosten) / Omzet
excl. Btw * 100%
EBIT (bedrijfsresultaat) = Omzet excl. Btw kosten van de omzet excl. Interestkosten
Rentabiliteit totaal vermogen = Bedrijfsresultaat / Gemiddeld eigen vermogen * 100%
Verband tussen RTV, KVV en REV = (1 F) * (RTV + (RTV KVV) * VV / EV)
Nettowinstmarge = Winst na belasting / Omzet excl. Btw * 100%
Rentabiliteit eigen vermogen = Winst na belasting / Gemiddeld eigen vermogen * 100%
Kosten vreemd vermogen = Interestkosten / Gemiddeld vreemd vermogen * 100%
Totale winst vreemd vermogen = (RTV KVV) * VV
Hefboomfactor = VV / EV
Current ratio = Vlottende activa / Vlottende passiva ( 1 of hoger, niet liquide)
Nettowerkkapitaal = Vlottende activa Vlottende passiva
Nettowerkkapitaal = Eigen vermogen + Vreemd vermogen op lange termijn Duurzame
activa.
Quick ratio = (Vlottende activa Voorraden) / Vlottende passiva
Debt ratio = Vreemd vermogen / Totaal vermogen
Garantievermogen = Eigen vermogen + Achtergesteld vreemd vermogen.
Weerstandsvermogen = Eigen vermogen / Totaal vermogen
Solvabiliteitspercentage = Eigen vermogen / Totaal vermogen * 100%
Omloopsnelheid voorraad = Omzet in verkoopprijzen excl. Btw / Gemiddelde voorraad
Opslagduur van goederen in dagen: (1 / Omloopsnelheid van de voorraad) * 365 =
(Gemiddelde voorraad gedurende het jaar / Jaaromzet in verkoopprijzen excl. btw) * 365
Gemiddeld krediettermijn van debiteuren (verleende leverancierskrediet) =
(Gemiddelde debiteurensaldo / Verkopen op rekening incl. btw) * 365
Gemiddelde krediettermijn van crediteuren (ontvangen leverancierskrediet) =
(Gemiddelde crediteurensaldo / Inkopen op rekening incl. btw) * 365
Nettowerkkapitaal = Voorraden + Debiteuren Crediteuren

Omloopsnelheid van het totaal vermogen (in dagen) =


(Omzet (in verkoopprijzen) excl. Btw / Gemiddeld totaal vermogen) * 365 dagen
Dividendrendement =
(Uitgekeerde winst per aandeel / Beurswaarde van het aandeel begin boekjaar) * 100%
Pay-out ratio = Dividend per aandeel / Winst na belasting per aandeel
Koersrendement = (Beurswaarde van het aandeel aan het einde van het jaar
Beurswaarde van het aandeel aan het begin van het jaar) /
Beurswaarde van het aandeel aan het begin van het boekjaar * 100%
Koers-winstverhouding = Beurswaarde aan einde boekjaar / Winst na belasting per aandeel
Koers-cashflowverhouding = Beurswaarde aan einde boekjaar / Cashflow per aandeel
Koers-intrinsieke-waardeverhouding =
Beurswaarde aan einde boekjaar / Intrinsieke waarde per aandeel