Está en la página 1de 6

Lesvoorbereidingsformulier Fontys Hogeschool Kind en Educatie, Pabo Eindhoven

Bron: Didactisch model van Gelder


Student(e)
Elise Vogels
Mentor
Ine van der Burgh
Klas
P14EHV1C
Datum
10-1-2015
Stageschool Sint Bernardus
Groep
1/2A
Plaats
Best
Aantal lln 26
Vak- vormingsgebied: Taal
Speelwerkthema / onderwerp: Stellen
Persoonlijk leerdoel: Het zicht kunnen krijgen op de manier van leren van kleuters. Het kunnen benaderen van ze en het les kunnen geven.
(competentie 3, vakinhoudelijk en didactisch competent)
Binnen deze les wil ik expliciet werken aan:
Het kunnen leiden van een kleine kring, het centraal en rustig kunnen houden.
Lesdoel(en):
Aan het einde van de les hebben de kinderen met mij een chronologisch
verhaal kunnen maken, aan de hand van een praatplaat over de lente.
Kerndoel 5
verhalende teksten, vooral expressief
(bijv. bij tekeningen, briefjes en kaarten voor anderen, verhalen/boeken)

Evaluatie van lesdoelen:


Ik geef de kinderen binnen het groepje steeds om en om een beurt, zo komen alle
kinderen aan de beurt. Als alle kinderen aan de beurt komen kan ik horen wie er wel en
wie er niet een goed bijdrage kan leveren aan het samen maken van het verhaal.

Beginsituatie:
Groep 0:
Deze kinderen zijn nog niet ver wat betreft de beginnende geletterdheid. Nog niet alle kinderen kunnen hun eigen naam schrijven. De kinderen beginnen wel al met het
maken van kleine tekeningen van letters. Ze proberen erg veel mee te gaan met de oudste kleuters op het gebied van Taal. De kinderen kunnen hele korte
gebeurtenissen navertellen, mits het niet te lang geleden is.
Groep 1:
Bijna alle kinderen kunnen hun eigen naam schrijven. De kinderen kunnen al een paar letters herkennen en benoemen (De foneem-grafeem koppeling) Verder kunnen
een paar kinderen al een verhaal vertellen. Het verhaal kan soms nog verward overkomen, maar er zit een verhaallijn in.
Groep 2:
Alle kinderen kunnen hun eigen naam schrijven. Ze kunnen kleine mkm-woordjes lezen spellen. De kinderen kunnen een verhaal vertellen in chronologische volgorde.
Ze weten hoe een verhaal is opgebouwd en hoe de regels (Manier van schrijven, ik/hij- perspectief) zijn voor een verhaal.
De kinderen zijn bekend met het maken van een verhaal aan de hand van een praatplaat.
Doordat de woordenschat en het tijdsbesef van de oudste kleuters en een paar middelste kleuters het verst is ontwikkeld is, ga ik met deze kinderen in een kleine kring
zitten. Met een groepje van 4 ga ik deze activiteit uitvoeren, ik kies voor een kind dat heel erg goed is met het bedenken van dingen, een die nog wat stiller is in de
klas, een oudste kleuter die verbaal nog niet zo heel erg goed is en een die nog alles moet observeren en dan te werk gaat.
Lesverloop
Tijd
5 min

Leerinhoud Didactische handelingen


Leraar
Bekijken
Voordat de les begint, heb ik op de plekken in
plaat
de kleine kring de naamplaatjes van de
kinderen neergelegd. De kinderen weten
hierdoor wie er in de kring moet komen te zitten.
Verder leg ik de praatplaat ondersteboven op de
tafel, zodat de kinderen nog niet kunnen kijken.
Ik vertel de kinderen dat we gaan kijken naar
een plaat. Maar wat voor plaat is het? Wat zie
je? Wat voor weer is het? Hoeveel mensen zie
je? Zie je nog meer dan alleen mensen? Wat
zouden ze aan het doen zijn?

Leeractiviteit
leergedrag leerling(en)
De kinderen zien dat
er een plaat ligt. De
kinderen gaan kijken
naar de plaat en zich
afvragen wat er nou
eigenlijk te zien is.
Ze bedenken dit stil
in hun hoofd eerst,
daarna mogen ze
het zeggen.

Materialen / Organisatie
De praatplaat
De naamkaartjes

5-15 min

Bedenken
verhaal

Als we weten wat er allemaal te zien is gaan we


beginnen aan het maken van het verhaal. Ik
vraag de kinderen voordat we gaan beginnen
erg goed naar elkaar te luisteren, omdat we een
verhaal gaan maken. Je kan pas goed samen
een verhaal maken als je naar elkaar luistert.
Als dit duidelijk is voor de kinderen vraag ik een
stille vinger voor degene die een leuk begin
weet voor het verhaal, hierna komen de andere
kinderen een voor een aan de beurt.

De kinderen luisteren naar wat de regels zijn.


De kinderen bedenken samen met mij een leuk verhaal. Ze
bedenken wat er allemaal kan gebeuren op de plaat en hoe
de mensen zullen reageren.

De praatplaat

Een kind, die het kan en wil, mag het verhaal nog een keer
herhalen. De kinderen luisteren nog een keer kort naar het
verhaal. De kinderen denken na over een dagindeling.

De praatplaat

Als we vastlopen geef ik de kinderen


hulpvragen, zoals: Wat kan er allemaal nog
meer gebeuren nadat . Is gebeurt? Wat zullen
de kinderen dan doen? Wat doen de dieren
dan?
Doordat de kinderen elkaar aanvullen en op
elkaar in gaan, hoort deze les onder het kopje
coperatieve les.
15-20 min

Evaluatie

Ik vertel dat we een ontzettend leuk verhaal


hebben bedacht en vraag aan een kind om het
verhaal nog even kort te herhalen. Dan vraag ik
aan de kinderen of het verhaal ook
chronologisch is (dit begrip leg ik meteen uit),
verloopt het net als een echte dag? Ochtendmiddag- avond? Hebben we allemaal iets
kunnen zeggen voor het verhaal?
(Kerndoel 10: reflecteren op eigen werk)

Verantwoording
Zoals ik in de beginsituatie al heb vermeld heb ik bij deze activiteit gekozen voor het werken in een kleine kring. Dit heb ik gedaan, omdat het
werken in de kleine kringen bij deze activiteit toepasselijker is. Als je met een kleinere groep gaat zitten, kunnen de kinderen die ik heb
gekozen (vooral de schutteren kinderen) een grotere bijdrage leveren. Het stillere kind (LL) heeft nog erg veel moeite om haar mening
duidelijk naar voren te brengen. Ik wil tijdens deze les ervoor zorgen dat ze genoeg de beurt krijgt, zodat ze weet merkte dat de mening en
bijdrage van dit kind gewaardeerd wordt. Wat ik wel bereiken met het verbaal minder sterke kind, is dat dit kind door goed mee te doen meer
gespreksvaardigheid krijgt. Als we het gaan hebben over de plaat, dat dit kind dan ook zinnen probeert te formuleren en dat het merkt dat
sommige zinnen wel en sommige niet kunnen. Omdat het kind toch nog moeite heeft met deze zinnen in eerste instantie te maken, zal het
eerst gaan observeren en kopiren. Ik verwacht dat als we verder in de opdracht komen deze steeds meer mee gaat doen, mede door de
beurtverdeling. Verder hoop ik dat het kind met de levendige fantasie de andere kinderen mee sleept in zijn enthousiasme (GM)
Voordat ik begon aan met ontwerpen van mijn les ben ik gaan kijken naar de kerndoelen voor Taal. Ik heb veel kerndoelen gevonden die over
het stelonderwijs gingen. Deze kerndoelen gingen over het maken (stellen) van verhalen, dus heb ik ervoor gekozen om een praatplaat te
kiezen die binnen het thema valt. Ik heb een praatplaat over de lente gekozen, waar kinderen om een lentewandeling gaan. In het boek Portaal
staat vermeld dat het vertellen van een chronologisch verhaal hoort onder het kopje stellen. Ik ben in gesprek gegaan met mijn mentor, we
hebben het gehad over de kinderen die dit al wel en nog niet zouden kunnen, ook hebben we het erover gehad, welke kinderen ik graag in het
groepje wilde hebben om ze te helpen.
Doordat ik binnen deze les de kinderen samen een verhaal laat maken, valt deze les onder het coperatief leren. De kinderne vullen elkaar aan
en geven hun meningen over wat er wel en niet in het verhaal moet. De kinderen leren van elkaar door naar elkaar te luisteren en elkaar te
helpen. Als bijv. een kind niet uit zijn/haar woorden komt kan de ander hem/haar helpen.
Ik heb gekozen voor zo min mogelijk input van mij, ik probeer zo min mogelijk mezelf te bemoeien met het verhaal. Doordat ik dit doe laat ik
zoveel mogelijk uit de kinderen komen. Dat dit de beste manier van leren is voor de kleuters staat beschreven in het boek, Kiezen voor het
jonge kind. Met namen het hoofdstuk 4.1.2 (blz. 135-137) heb ik goed kunnen benutten. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe de
bedoelingen van het kind in evenwicht komen met die van de leerkracht. Aan dit artikel had ik iets, doordat ik in mijn lesontwerp heb gekeken
naar wat de kinderen op dit moment bezig houdt. Aangezien het thema van deze periode Lente is, heb ik voor een lente plaat gekozen.
Hoofdstuk 9.1.2 (blz. 443-446) heb ik ook gebruikt. In dit hoofdstuk gaat het over de benadering van de kinderen. Hoe voer je een gesprek of
geef je in het algemeen antwoorden. Wat ik uit dit hoofdstuk heb verwerkt in mijn lesontwerp is, de antwoorden uit de kinderen laten komen.
De kinderen leren het meeste door zelf dingen te vertellen en te zeggen. De reactie van de leerkracht is erg belangrijk, hoe vraag je door over
een onderwerp en hoe corrigeer je een kind van die leeftijd.
Verder heb ik nog gekeken naar hoe ik de beurten ga verdelen, wie kan ik de beurt geven voor mijn vragen. Dit heb ik ook verwerkt in mijn
lvf.

Bronnen:
Brouwers, H. (2010). Kiezen voor het jonge kind. Bussum: Coutinho.
4.1.2. Bedoelingen van leerkracht en kinderen in balans
9.1.2. Kringactiviteiten
http://tule.slo.nl/Nederlands/F-L05.html

Persoonlijke reflectie
Wat wilde ik?
Hoe ging dit?
Hoe kwam dit?
Hoe nu verder?
Feedback mentor
Datum: