Está en la página 1de 18

Friedrich Julius Stahl (1802-1861

)

Bas Hengstmengel

Het leven van Stahl bevindt zich tussen de Franse Revolutie (1789) en de Duitse eenwording in het Keizerrijk (1871). De Revolutie was een fenomeen waar alle 18e en 19e-eeuwse denkers zich op enige wijze toe moesten zien te verhouden. Voor hen die de revolutie en haar gedachtegoed overwegend negatief duidden, was er in intellectueel opzicht een aantal mogelijkheden. Zo was er de mogelijkheid van restauratief of reactionair denken: terug verlangen naar een al dan niet geïdealiseerd verleden of onverkort vasthouden aan het bestaande. In de 18e en 19e-eeuwse Duitstalige gebieden zijn hieraan vooral de namen van Karl Ludwig von Haller, Novalis, Adam Müller en Ludwig von Gerlach verbonden. Dit is echter niet de reactie van het conservatieve antirevolutionaire denken van Edmund Burke’s Reflections on the Revolution in France. Denkers in de antirevolutionaire hoofdstroming van Burke verzetten zich weliswaar tegen het optimistische mensbeeld, abstracte denken en vooruitgangsgeloof van de revolutionairen, maar niet tegen ontwikkeling in de geschiedenis als zodanig. Hoe zou dat ook kunnen? Ontwikkeling moet echter samengaan met eerbied voor wat zich in de geschiedenis bewezen heeft en aansluiten bij wat concreet voorhanden is. Deze denkwijze is terug te vinden in de zogenaamde historische rechtsschool van Friedrich Karl von Savigny. Een conservatief in deze lijn is Friedrich Julius Stahl (1802-1861), een Duitse staats- en kerkrechtgeleerde, rechtsfilosoof en politicus. Stahl zocht de middenweg tussen revolutie en restauratie die het beste als ‘conservatieve hervorming’ kan worden aangeduid. Hij was de eersten die een omvattende antirevolutionaire staatsleer uitwerkte. In de jaren 1850-1860 was hij de leider van de Pruisische conservatieven en behoorde hij tot de beste politieke redenaars van Europa. Het denken van Stahl had ook invloed in Nederland. In de tweede helft van de 19e eeuw werden er diverse geschriften aan gewijd. De antirevolutionair Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876, zie hoofdstuk ##), door tijdgenoten wel le Stahl de la Hollande genoemd, stak zijn bewondering voor Stahl niet onder stoelen of banken en (her)publiceerde na diens dood het lovende Ter nagedachtenis van Stahl (1862). Mede in reactie daarop publiceerde de liberaal Cornelis Willem Opzoomer (1821-1892) een venijnige redevoering onder de titel De orthodoxie aan het staatsroer (1863). Mede via Groen van Prinsterer heeft het denken van de lutheraan Stahl invloed gehad op neocalvinisten als Abraham Kuyper en Herman Dooyeweerd en op de antirevolutionaire en christelijk-historische politieke partijen als ARP en CHU. In Duitsland werd Stahl lange tijd gezien als wegbereider van de Pruisische ‘IJzeren Kanselier’ Otto von Bismarck (1815-1898), als reactionair en antidemocratisch denker, als Joodse verrader of als romantisch historist. Tegenwoordig is er echter terechte aandacht voor zijn betekenis als theoreticus én practicus van de conservatieve, christelijke hervorming van het staatkundige leven. Levensgeschiedenis

Friedrich Julius Stahl werd op 16 januari 1802 geboren als Julius Jolson (‘Joëlszoon’) nabij Würzburg in de deelstaat Beieren (zuidoost Duitsland). Als kind van Joodse ouders werd hij opgevoed in de Mozaïsche traditie en leerde de Hebreeuwse taal en de Talmoed. Op zeventienjarige leeftijd bekeerde hij zich, uit innerlijke overtuiging, tot het protestantse christendom, specifiek het lutheranisme. Hierbij veranderde hij zijn Joods klinkende achternaam van Jolson in Stahl. Over het waarom van deze naamkeuze tasten we in het duister, zoals over veel van Stahls persoonlijke leven. Uit hetgeen bekend is, rijst het beeld op van een diep religieuze natuur met een sterke filosofische belangstelling, die door studie en persoonlijke worsteling tot zekerheid probeert te komen. Van belang is de invloed, via Stahls leermeester Bernard Thiersch, van de denker Friedrich Heinrich Jacobi. Tegenover de speculatieve rede plaatst Jacobi geloof en openbaring als kernelementen van het menselijke kennen en kunnen. Ook verzet hij zich tegen het formalisme van het Joodse wetsgeloof. De nadruk op de persoonlijke wil en innerlijke overtuiging zijn vermoedelijk doorslaggevend geweest voor Stahls bekering; ze zijn het in ieder geval onmiskenbaar voor zijn latere denken. Stahl studeerde rechtsgeleerdheid in Würzburg, Heidelberg en Erlangen en was actief lid van een patriottische Burschenschaft. In 1826 promoveerde hij in Würzburg op de dissertatie Ueber die Kollision und den Vorzug des Besonderen vor dem Allgemeinen im Recht. In 1827 werd hij privaatdocent in München. Vanaf 1832 bekleedde hij verschillende hoogleraarsposten in onder andere de rechtsfilosofie, het kerkrecht en het staatsrecht in Erlangen en Würzburg. In 1840 haalde koning de Pruisische Frederik Willem IV hem, op voorspraak van Friedrich Karl von Savigny, naar de universiteit van Berlijn en daarmee naar Pruisen, waar hij de rest van zijn loopbaan zou blijven en van grote betekenis zou worden voor politiek en kerk. In 1849 werd Stahl door de koning voor het leven benoemd tot lid van de toenmalige eerste kamer (het latere Herrenhaus), waar hij een voorman van de conservatieven werd. Eerder werd hij al door de universiteit van Erlangen afgevaardigd naar het Pruisische parlement, de Landtag. Als publicist in de Neuen Preußischen Zeitung (ook wel Kreuzzeitung genoemd) schetste Stahl de hoofdlijnen van de conservatieve politiek in Pruisen. In 1850 was hij lid van het tijdelijke Erfurter Parlement dat poogde een constitutie voor de beoogde Duitse eenheidsstaat op te stellen. Hij leidde daarin de conservatieven, de Fraktion Stahl. In kerkelijk verband was hij actief als lid en voorzitter van verschillende vergaderingen en raden. In Stahls leven kunnen twee belangrijke fasen onderscheiden worden. In de eerste helft van zijn leven (ruwweg tot 1848) bouwde hij zijn filosofie en schreef hij zijn belangrijkste juridische en politieke werken, in de tweede helft paste hij zijn denken toe in de politieke praktijk. Als leider van de conservatieven en als adviseur van koning Friedrich Wilhelm IV wist Stahl Pruisen door turbulente jaren te loodsen. Daarnaast waren er zijn kerkelijke activiteiten en schrijfwerkzaamheden, die ook in de tweede helft van zijn leven geconcentreerd zijn. Stahl overleed op 10 augustus 1861 in Brückenau, noordwest Beieren, niet ver van zijn geboortegrond.

Stahls magnum opus is het driedelige werk Die Philosophie des Rechts nach geschichtlicher Ansicht (1830-1837). Het werk kent drie (bewerkte) edities. In de laatste editie bevat het de delen Geschichte der Rechtsphilosophie (I) en Rechts- und Staatslehre auf der Grundlage christlicher Weltanschauung (II en III). In de eerste band schetst en becommentarieert Stahl de geschiedenis van de rechtsfilosofie, van Plato tot Savigny, in de tweede en derde band ontwikkelt hij zijn eigen rechts- en staatsleer op christelijk-conservatieve grondslag. Stahl wil er een alternatief mee bieden voor het revolutionaire denken over recht, staat en moraal. Behalve de Philosophie des Rechts deed Stahl vele werken op staatkundig en kerkelijk terrein het licht zien. Deze worden besproken in de paragraaf ‘verder lezen’. Het optreden van Stahl in kerkelijke aangelegenheden blijft in deze bijdrage onbesproken. Zijn optreden in de politieke arena komt slechts kort aan bod. De nadruk ligt op Stahls veelomvattende politieke en rechtsfilosofie. Politiek-maatschappelijke context De politieke situatie in de 19e-eeuwse Duitse gebieden was complex. Na de val van Napoleon werd was een Duitse statenbond ontstaan, gedomineerd door het onderling sterk rivaliserende koninkrijk Pruisen en keizerrijk Oostenrijk. Het machtige Pruisen omvatte grote delen van het huidige Duitsland, Polen, Rusland en Litouwen. De Duitste statenbond duurde voort tot aan de oorlog tussen Pruisen en Oostenrijk in 1866, de Brüderkrieg, waarin Pruisen glansrijk overwon. Daarna ontstond een Noord-Duitse bondsstaat, zonder Oostenrijk. In de Frans-Duitste oorlog (1870-1871) sloten enkele Zuid-Duitse staten zich aan bij de Noord-Duitse staten onder leiding van Pruisen. Na de Duitse overwinning op Frankrijk wist Otto von Bismarck in 1971 de Duitse staten (zonder Oostenrijk) te verenigen tot het Duitse Keizerrijk. In 1840 besteeg Frederik Willem IV de Pruisische troon. Hij zou deze blijven bezetten tot aan zijn dood in 1862, waarna hij werd opgevolgd door zijn zoon Wilhelm I, de latere keizer. Frederik Willem kan worden beschouwd als een romanticus, die een zwalkende politieke koers voer. Toen hij in 1840 de troon besteeg, voer hij een liberaal beleid; later werd hij steeds meer reactionair. In 1847 stemde hij toe in de groeiende roep om volksvertegenwoordiging door het instellen van een Verenigde Landdag, overigens met zeer beperkte bevoegdheden. In 1848 waarden er revoluties in Europa, zoals de februarirevolutie in Frankrijk en de maartrevolutie in de Duitse bond. Frederik Willem IV deed politieke concessies en riep een grondwetgevende vergadering bijeen. Uiteindelijk kreeg een contrarevolutie onder leiding van Bismarck de overhand. Wel was een nieuwe Pruisische constitutie onontkoombaar geworden. In 1849 verscheen Stahl op het politieke toneel van Pruisen. De jaren ervoor had hij achter de schermen echter al grote invloed op Frederik Willem IV. Stahl zag in dat economische ontwikkeling en toenemende sociale mobiliteit in het conservatieve denken verdisconteerd moesten worden. Hij onderkende de onvermijdelijke opkomst van de Duitse bourgeoisie, het

liberale burgerdom met haar roep om politieke representatie en nationale eenheid. Anders dan reactionairen wilde hij niet alle aspecten van de moderniteit verwerpen, maar zorg dragen voor een inbedding in het bestaande, zoals hieronder zal worden uitgewerkt. Stahl publiceerde zijn belangrijkste werken ruim voor de revolutie van 1848. In Pruisische conservatieve kringen werd hij toen echter nog als liberaal gezien, vanwege de verwerking van moderne politieke elementen in zijn denken. Pas in de aanloop naar de revolutie onderkenden conservatieven de noodzaak van hervormingen en zagen ze in Stahl hun woordvoerder. Hij leverde een belangrijk bijdrage aan de politieke ontwikkeling van Pruisen door bij te dragen aan de nieuwe Pruisische constitutie, maar ook door de conservatieve partij in Pruisen te vormen en leiden. Tegen het denken van Bismarck heeft Stahl zich verzet. De Duitse geest van Blut und Eisen zoals die ging heersen in het Keizerrijk vormde een ruwe breuk met Stahls gedachtegoed.1 Personalisme Het denken van Stahl is sterk beïnvloed door een tweetal denkers: Hegel en Schelling. Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831, zie hoofdstuk ##) beschouwde hij als zijn voornaamste tegenstander. Het was mede om een links-Hegeliaanse, als radicaal en antigodsdienstig beschouwde geest te keren dat Stahl naar Berlijn werd geroepen. Toen Stahl de filosofie van Hegel leerde kennen, betekende dat voor hem een grote schok. Enerzijds zag hij in Hegels staatsleer en rechtsfilosofie een krachtige fundering van de staat als een gegevenheid, een zedelijk bestel, een compromis tussen het universele (of ‘algemene’) en het particuliere (het ‘bijzondere’ of ‘specifieke’, vgl. August Wilhelm Rehberg, hoofdstuk ##). Anderzijds kon Hegels staatsopvatting volgens Stahl slechts begrepen worden vanuit een filosofisch systeem waarin de onpersoonlijke kracht van de ‘absolute Geest’ een noodzakelijke ontwikkeling doormaakt en het niet de persoonlijke God van het christendom is die de geschiedenis schrijft. Evenmin zag hij in Hegels filosofie ruimte voor een werkelijk vrije, persoonlijke verantwoordelijkheid voor de mens. In plaats van een vrije persoonlijke wil komen anonieme processen van een overkoepelende rationaliteit en sociale evolutie. In Hegels filosofie herkende Stahl het wezen van de nieuwere, heersende filosofie: het loochenen van een persoonlijke God en het aanhangen van een pantheïstisch godsbegrip. Of Stahl Hegel werkelijk recht doet, wordt door verschillende auteurs betwijfeld. Vast staat in ieder geval dat Hegels massieve denksysteem hem lange tijd in
Otto von Bismarck (1815-1898) werd in 1862 eerste minister van Pruisen, in 1867 Bundeskansler van de Duitse bondsstaat en in 1871 Reichskansler van het Duitse Keizerrijk. De ‘IJzeren Kanselier’, veelal geportretteerd met grote snor en met de karakteristieke Pickelhaube (punthelm) op het hoofd, beschouwde zich als een Realpolitiker die met iedereen zou samenwerken om zijn doelen te bereiken. Tekenend voor zijn optreden zijn de provocerende woorden dat “niet door redevoeringen en meerderheidsbesluiten de grote vragen van de tijd besloten worden, maar door bloed en ijzer.” Het was volgens hem de fout van 1848 geweest dat er door overleg naar eenheid was gestreefd. Door zijn politiek van Blut und Eisen wist Bismarck Pruisen tot een nog machtiger staat te maken binnen het keizerrijk.
1

de ban hield en zelfs in een geestelijke crisis stortte, waar hij zich wellicht slechts ten koste van een evenwichtige interpretatie van Hegel aan heeft kunnen ontworstelen. Het anonieme rationalisme van Hegel ondergraaft volgens Stahl het persoonlijk-metafysische fundament van de werkelijkheid, de verankering van de eenheid van leven en van politiek. Ondanks het afwijzen van de metafysische basis ervan is de invloed van Hegels denkwijze op Stahl echter onmiskenbaar. Een tweede denker die grote invloed op Stahl had was Friedrich Wilhelm Joseph Schelling (1775-1854), Hegel’s kamergenoot aan de universiteit van Jena en net als Hegel leerling van Fichte. Schelling kwam overigens een jaar na Stahl naar Berlijn. Vooral Schellings kritiek op de rationalistische filosofie van zijn dagen inspireerde Stahl. Tegelijk was Schelling, net als Hegel, een representant van de eveneens door Stahl bestreden idealistische filosofie. In zijn latere denken ontwikkelde Schelling een religieus personalisme. Door de geschiedenis heen vindt een proces van openbaring van Gods persoonlijkheid en wil plaats. In feite is de menselijke geschiedenis niets anders dan de vrijheid van Gods persoonlijkheid. Mensen kunnen alleen werkelijk vrij zijn wanneer God de bron is van deze vrijheid. In het verlengde van deze filosofie zijn belangrijke elementen in Schellings politieke denken een verzet tegen rationalistisch-atomaire opvattingen van de staat, een nadruk op de persoonlijkheid en wil van de monarch, een religieus-metafysisch gefundeerde politieke orde en een organische staatsopvatting.2 Schelling benadrukt de eenheid van de werkelijkheid. Waar rationalisme en idealisme gebaseerd zijn op zuivere abstracties is Stahls filosofie persoonlijk en concreet. De basis van zijn filosofie, op dit punt sterk beïnvloed door Schelling, is een personalisme. God is een Persoon, Hij is persoonlijkheid. Gods persoonlijkheid is wereldbeginsel. Hij is niet alleen substantie (zijn als zodanig), maar ook daad (volheid van zijn). God verhoudt zich tot de wereld zowel ‘wereldomsluitend’ als ‘wereldscheppend’. Hij is wereldomsluitend in die zin dat al het geschapene, in het bijzonder de mens, zich afhankelijk moet weten en tonen van God. Hij is ook wereldscheppend in die zin dat Hij aan zijn schepping wetten stelt. Hij staat evenwel in een wederkerige en persoonlijke Ik-Gij-verhouding tot de mens. Volgens Stahl is God geen rationele entiteit, maar een persoonlijke wil. Evenmin is hij een rationele wil, maar een absolute wil. Omdat de mens evenbeeld van God is, is ook de mens persoonlijkheid. Evenzo heeft de gemeenschap van mensen persoonlijkheid, het is een ‘zedelijk rijk’. Stahl onderscheidt de sferen van zedelijkheid en religie. Hoewel te onderscheiden, zijn ze niet te scheiden. De zedelijkheid valt uiteen in de persoonlijke moraal (Einzelmoral), het subjectieve ethos, en een gemeenschapsmoraal (Gemeinschaftsmoral), het objectieve ethos, zich realiserend in recht en staat. De religie valt uiteen de persoonlijke band met God en de gemeenschappelijke band met God, de kerk. Al deze sferen en
2

Chris Thornhill, German Political Philosophy. The Metaphysics of Law, Routledge, New York, 2007, pp. 142-151, 158-161; Terry Pinkard, German Philosophy 1760-1860. The Legacy of Idealism, Cambridge University Press, New York, 2002.

domeinen hangen echter nauw samen. De scheiding ervan is een gevolg van de zondeval. Er is uiteen gegaan wat bij elkaar hoort. De eenheid van leven en werkelijkheid is losgeraakt. Stahl verwerpt Middeleeuwse theocratieopvattingen. God bemoeit zich niet rechtsreeks met alles wat er in de wereld gebeurt, althans niet buiten de menselijke wil en vrijheid om. Anderzijds verzet Stahl zich tegen de gedachte dat de mens volledig de gang van de geschiedenis bepaalt. Hij erkent een natuurrecht dat rekent met de vrije wil door de geschiedenis heen. Stahl verzet zich tegen een abstract, formeel natuurrecht, zoals hij dat aantreft bij Grotius, Kant, Rousseau en Hegel. Vanuit zijn personalisme is het conservatisme van Stahl een levend gebeuren. Voor veel denkbeelden van reactionaire en restauratieve tijdgenoten kan hij waardering opbrengen, maar hij verwijt hen dat ze vooral een apologie voor het verleden schrijven en niet in staat zijn in het heden te denken en handelen, bijvoorbeeld waar het aankomt op staatsmanskunst. Tegenover reactionair denken en absolutisme verklaarde Stahl zich een “vriend van een mannelijke, morele en ordelijke vrijheid.” Revolutie Een drijvende kracht achter het werk van Stahl is zijn verzet tegen de revolutie. In zijn voordracht Was ist die Revolution? (1852) geeft hij een specifieke duiding van het verschijnsel revolutie. Revolutie heeft voor Stahl een veel bredere betekenis dan de politieke connotatie die het woord in het dagelijks spraakgebruik heeft. Volgens Stahl is de revolutie een nieuwe politieke leer die sinds 1789 als een wereldveroverende macht het denken van de volken indoctrineert en het openbare leven vorm geeft. “Vraagt men naar het wezen, dan is het dit: revolutie baseert het openbare leven op de wil van de mens in plaats van op Gods ordening en beschikking. Alle gezag en macht komt volgens de revolutie niet van God, maar van de mens, van het volk.”3 Het verschijnsel revolutie is dus weliswaar nauw verbonden met de Franse Revolutie van 1789, maar is geen eenmalig gebeuren. Het is een voortdurende toestand, een nieuwe ordening der dingen. Waar opstand van alle tijden is, is revolutie typerend voor deze tijd, meent Stahl. De revolutie bedient zich van een aantal eisen: volkssoevereiniteit, onbeperkte vrijheid op alle gebieden, nivellerende gelijkheid, strikte scheiding van kerk en staat, nieuwe grondrechten en opheffing van oude rechten, abstract volkenrecht en een ‘atomaire’ statelijke autonomie. In de geest van de revolutie heeft het maatschappelijke bestel niet tot doel Gods ordeningen te handhaven, maar slechts het willekeurige handelen van de mens en zijn bevrediging. Dat is de kern van waaruit het gehele systeem van de revolutie voortkomt. Revolutie, kortom, is meer dan een specifieke historische gebeurtenis, meer dan een politiek begrip; revolutie is een religieus geladen, anti-christelijke toestand van mens en samenleving. “Revolutie is het funderen van het openbare bestel op de wil van de mens in plaats van op Gods ordening en beschikking.”
Vergelijk de titel van Groen van Prinsterers bekende werk Ongeloof en revolutie, dat in de geest van Stahl is geschreven.
3

Revolutie is dan ook iets heel anders en ingrijpenders dan rebellie of oproer. Het is geen eenmalige verstoring van de orde, ook geen ‘zelfhulp’ in de zin van gerechtvaardigd geweld van een onderdrukt volk tegen zijn overheid. Revolutie staat niet gelijk aan politieke vrijheid, in de zin dat wie ertegen is een aanhanger zou zijn van een absolute monarchie of willekeurig politiegeweld. Politieke vrijheid is een goddelijke gave en loyaal verzet tegen de overheid kan in de lijn liggen van Gods gebod. Revolutie is echter “de principiële, permanente opstand van het volk tegen alle gegeven overheden, tegen iedere gegeven orde. En ze is niet slechts verstoring van de verhouding tussen volk en overheid, maar ze is de continue ontbinding en verandering van de gehele samenleving.” Revolutie is volgens Stahl de grootste zonde op politiek gebied. Andere zonden, als usurpatie, tirannie, onderdrukking van het geweten zijn zonden tegen Gods orde, maar ze zijn niet de opheffing van Gods orde, niet de trots tegen het gezag van Gods orde en de vervanging daarvan door een puur menselijke orde. Oproer is meestal een spontane uiting, die in het geval van de revolutie hoogstens even als gangmaker dient. Maar normaal gesproken, laat het oproer de oude orde in stand. Oproer is bijvoorbeeld een manifestatie van onbehagen van het volk als gevolg van onderdrukking uit overmoed door de heersende elite. Stahl gebruikt het voorbeeld van de Engelse Glorious Revolution (1688). De Engelsen zetten weliswaar Jacobus II af, maar ze kroonden Willem III. Ze kwamen dus in opstand tegen hun koning, maar even later was Willem III hun soeverein en waren ze zijn onderdanen. De gehele samenleving bleef dus onveranderd. De Fransen van 1789 zetten daarentegen hun koning af, plantten het volk op de troon en nivelleerden de maatschappij. Dat is revolutie. Stahl ontkent niet dat de revolutie ook goede zaken heeft gebracht, bijvoorbeeld in de strijd tegen willekeur en rechteloosheid. Alle goede zaken worden echter tot een kwaad wanneer ze buiten de orde van God om worden toegeëigend. Zo is politieke vrijheid een groot goed, maar wanneer ze wordt nagestreefd door een radicale breuk met een bestaande orde en los van Gods gebod, is ze een kwaad. Vanuit deze visie op de ‘verworvenheden’ van de revolutie is het begrijpelijk dat Stahl zich enerzijds openstelt voor politieke veranderingen, maar anderzijds deze veranderingen wil inbedden in een politieke en maatschappelijke orde die haar waarde bewezen heeft. Stahl wil hervorming van het bestaande: het toepassen van onveranderlijke beginselen op veranderende omstandigheden. Revolutie is daarentegen utopisch, kunstmatig en willekeurig, een radicale breuk. Rationalisme Ieder denkstelsel berust volgens Stahl op een geloofsuitgangspunt. Geloof is de ‘oerdaad der ziel’. Uitspraken over de totale samenhang, de hoogste oorzaak en het laatste doel van de werkelijkheid zijn niet dan vanuit een grondaanname te doen. Zo wordt het denken van de revolutie door Stahl verbonden met rationalisme, dat gebaseerd is op ongeloof. Wat de revolutie is op het uiterlijke, politieke gebied, is rationalisme op het innerlijke, religieuze

gebied. Het is de emancipatie van de mens van God. De mens wil op zichzelf staan, wil God, de openbaring, de genade en de verzoening niet nodig hebben, wil aan de rede en zijn eigen deugd genoeg hebben. Deze houding uit zich volgens Stahl in de stelligheid van een filosofisch systeem waarin de rede de laatste grond van de werkelijkheid denkt te kunnen ontdekken en waar ze door het vaststellen van de wetten van het verstand weer bij zichzelf uitkomt. Rationalisme is daarmee weliswaar gegrond op ongeloof, maar leidt tot een geloof. Ongeloof in God leidt tot een tegengeloof in de mens en zijn rede. Revolutie maakt de mens tot oorsprong en middelpunt van een van de mens afhankelijke wereldorde. Dat is de oeromkering. Alle andere omkeringen zijn hier slechts het gevolg van. Een rationalist is voor Stahl niet iemand die de rede gebruikt om tot waarheid te komen, maar iemand die waarheid slechts in de rede zoekt. De rede is dan niet een middel om nader tot de werkelijkheid door te dringen, maar de werkelijkheid wordt uit de rede opgebouwd, ongeacht de gevolgen. Onwillekeurig denkt een hedendaagse lezer hierbij aan totalitaire regimes in de voorbije eeuw. In zijn tijd heeft, volgens Stahl, de absolutistische macht zich vermengd met de soevereiniteit van het algemene stemrecht, dat het recht heeft overheden op te richten en af te zetten, grondwetten in te voeren en op te heffen naar believen. Niets wordt meer als bindend erkend, behalve ‘de wil van boven’ (de absolutistische macht) die vraagt en de ‘de wil van onderen’, de atomaire volksmassa, de ‘eeuwige tegen-echo van menselijke willekeur’ die antwoordt. Alle intermediaire, waardegeladen, normatieve structuren worden ondergraven en miskend. “Zou dit niet zozeer het afsluiten van de revolutie zijn, maar veeleer haar reusachtige ontvouwing?” Het nivellerende gelijkheidsdenken is kwetsbaar voor despotisme. Christendom Er is voor Stahl een macht, maar ook slechts één macht, die de revolutie kan stuiten: het christendom. Hij beschouwt het christendom dan ook als de tegenpool van de zondige revolutie, omdat het het gehele mensenleven op Gods ordening fundeert. Het is echter tegelijk de diepste bevrediging van de impulsen van de revolutie. Alleen het christendom kan nog de maatschappelijke orde garanderen, nadat de funderende instituties daarvan – koningschap, eigendom, huwelijk – al door de grote volksmassa zijn overdacht en ter discussie zijn gesteld. Het christendom kent nog vreugdevolle onderwerping, verbond, trouw en roeping. “Het christelijk gemoed verlangt niet naar een overheid die het zelf over zich gesteld heeft, naar een grondwet die het zelf gemaakt heeft, naar een recht dat het zelf door de rede ontdekt heeft. Het ontvangt dat alles veel liever door Goddelijke beschikking, en stelt er zich tevreden mee om aan het grote Bouwwerk der Tijden een bescheiden, klein deel bij te dragen, zoals door God toegewezen.” Anderzijds is ook alleen het christendom in staat de werkelijke doelen, de werkelijke vooruitgang van de tijd te volbrengen. Alleen uit haar komen de vormende principes van waaruit men de bevredigende opbouw van de samenleving kan verwachten.

In het christendom ziet Stahl de vervulling van de beginselen van de Revolutie: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Ware vrijheid is dat de mens naar innerlijke overtuiging slechts aan God gehoorzaamheid verschuldigd is. Ware gelijkheid is dat in ieder mens Gods evenbeeld naar voren komt. Ware broederschap is liefhebben van de mens naar lichaam en ziel en erbarmen hebben met de nood van het volk. Het christendom waarborgt “de meest kostelijke van alle politieke gedachten,” namelijk de gedachte van roeping. In deze gedachte wordt de tegenstelling opgeheven tussen recht en plicht, tussen macht en begrenzing. Wat iemand ontvangen heeft, geeft hem ook verantwoordelijk en de roeping daar goed mee te doen. Het christendom vestigt de wederkerige garantie van een goddelijke orde die de overheid een maat geeft en onderdanen eerbied gebiedt, de ware volkssoevereiniteit. Sinds Christus op aarde is verschenen, heeft er bovendien geen schittering van politieke vrijheid bestaan, die niet vanuit het middelpunt van het christendom zijn uitstraling had. “Alleen het christendom kan de revolutie stuiten. Want het christendom is het oerbeeld van ieder rijk van de vrijheid, waarvan de revolutie de karikatuur is.” In deze aardse werkelijkheid zal de revolutie echter nooit tot een einde gebracht kunnen worden, omdat het oerbeeld van het christendom op aarde nooit bereikt zal worden. Dit is een antiutopische begrenzing die Stahl ziet voor de revolutie, maar ook voor de politieke pretenties van het christendom. De revolutie, die in het hele menselijk wezen doordringt, wordt niet alleen met grote gebaren bestreden. “Iedereen die het geloof in Christus kent, en een leven van godsvrucht leidt, met trouw aan de koning, de ingetogenheid in zijn roeping, de tucht en de liefde, die brengt de revolutie reuzenslagen toe.” Hier blijkt wederom hoe belangrijk voor Stahl de persoonlijke geloofskeuze en inzet is. Wie met de revolutie wil breken, moet eerst met de eigen zonden breken. Niemand kan de vijand in de wereld aanvallen zonder hem eerst in het eigen hart aan te vallen. “De fundamentele breuk met de revolutie is de christelijke trouw.” Rechtsfilosofie In zijn Philosophie des Rechts probeert Stahl niet, zoals in de rationalistische filosofie, te komen tot een volledige fundering van ieder onderdeel van zijn rechts- en staatsleer op filosofische beginselen. Wel streeft hij naar een omvattend wereldbeeld, waarvan zijn rechts- en staatsleer een onderdeel vormt. De Philosophie des Rechts is breed van opzet en strekking, in lijn met Stahls overtuiging dat rechtsfilosofie “recht en staat in verband brengt met de hoogste oorzaak en het laatste doel van de werkelijkheid.” Stahl laat daarbij nadrukkelijk ruimte voor menselijke vrijheid en contingentie en de goddelijke openbaring als norm. Zoals ieder denkstelsel uiteindelijk berust op een niet verder te beargumenteren geloofsstandpunt, een keuze van het hart, zo vertrekt Stahl vanuit het christendom. De zogenaamde historische rechtsschool had een belangrijke invloed op het denken van Stahl. De grondlegger van deze school, Friedrich Karl von Savigny, verzette zich met zijn geschrift Vom Beruf unserer Zeit für Gesetzgebung und Rechtswissenschaft (1814) tegen het achttiende-eeuwse,

rationalistisch opgevatte natuurrecht en de doorwerking daarvan in de Duitse wetgeving. Specifiek verzette hij zich tegen pogingen al het in de Duitse gebieden geldende recht in één, volledig nieuw te vormen wetboek te vervangen. Hierdoor zou, volgens Savigny, aan al het eigene en historisch gegroeide een nieuwe, onhistorische, louter abstract-rationeel gevormde betekenis worden verleend. Voor de historisch denkende juristen is het recht is niet een verzameling van door de wetgever naar willekeurig geformuleerde voorschriften voor alle tijden en plaatsen, maar bestaat het uit een corpus van in het bewustzijn van een volk levende overtuigingen. Het recht is nauw verweven met het karakter van een volk. Recht is ook primair gewoonterecht; pas in tweede instantie bevat het politieke en technische elementen. Net als de taal is het recht met een volk ontstaan, ontwikkelt en verbonden. Het kan weliswaar een ontwikkeling doormaken, maar dan voornamelijk als een organisch ontwikkeling door de tijd heen, slechts in beperkte mate door toedoen van de wetgever. De invloed van Burke en de Engelse traditie van common law zijn onmiskenbaar aanwezig in dit denken. Het is de nadruk op het recht als een collectief volksbewustzijn en organisch gegroeid weefsel die is terug te vinden in het denken van Stahl. Van belang is dat Stahl hiermee de aandacht van de rechtswetenschap wil verschuiven van logische wetten naar geschiedenis en ervaring. De historische benadering biedt volgens Stahl weliswaar nog geen uitgewerkte inhoud van het recht, maar wel een Disposition, een grondhouding. Stahl zoekt naar maatstaven die het recht verankeren, maar ook levend houden. Die maatstaven vindt hij in het christendom. Tegelijk geeft Stahls rechtsfilosofie een filosofische onderbouwing van de historische rechtsschool. Op deze plaats is het interessant de titel van Stahls hoofdwerk, Die Philosophie des Rechts nach geschichtlicher Ansicht, in herinnering te roepen. Wanneer Stahl spreekt over ‘geschichtlicher Ansicht’ heeft dit niet zozeer betrekking op het denken van de historische rechtsschool, maar veeleer op de personalistische filosofie van Schelling. Stahl noemt die ontwikkeling geschichtlich waaraan een vrije daad van God ten grondslag ligt en het menselijk handelen een aandeel kan hebben. Het gaat Stahl er dus niet om het heden vanuit het verleden te begrijpen, maar om de geschiedenis als Fügung Gottes te beschouwen en menselijke inbreng te verdisconteren. Het gaat hem niet om het historisch gegroeide als zodanig, maar om Gods hand in de geschiedenis, waarbij een fügen ook een zulassen kan zijn. Daarbij geldt wel dat lange duur een indicatie is van goddelijk toelaten. Stahl spreekt over “de heiligende kracht van de tijd.” De geschiedenis als zodanig blijft echter ten opzichte van God Woord, dat boven de geschiedenis staat, een tweede plaats bekleden, een “secundaire ethische betekenis” behouden. Ten diepste denkt Stahl op het punt van de legitimiteit van instituties niet-historisch. Instituties bezitten niet in de eerste plaats legitimiteit omdat ze een lange ontwikkelingsgeschiedenis kennen – hoe belangrijk op zich ook – maar omdat ze door God gegeven zijn. De historische ontwikkeling is slechts een afschaduwing van een hogere realiteit. Dit is een aan zijn eigen werk

ontleende correctie op Stahls soms al te grote nadruk op het historisch gegroeide. Voortbouwend op de persoonlijkheid van God, mens en gemeenschap komt Stahl tot opvallend moderne denkbeelden als individuele rechtsbescherming en grondrechten, de ontwikkeling van rechtsstaat en grondwet, en representatieve vertegenwoordiging. Het politieke deel van Stahls conservatisme wordt mede daarom ook wel een constitutioneel conservatisme genoemd. Het recht Zoals de staat is het recht een “goddelijke wereldordening”, hoewel door mensen vormgegeven. Naast de negatieve functie van afweer van het kwade heeft het recht de positieve functie een zedelijke gemeenschap vorm te geven. Doel van het recht is de bescherming van leven, vrijheid en eigendom en regulering van het publieke leven. De duurzaamheid en de achterliggende beginselen geven het recht gezag, niet de toevallige wil van het volk of de wetgever. Er bestaat ook niet zoiets als een tijd en plaats overstijgend rationeel natuurrecht (Pufendorf, Thomasius, Wolff) dat zonder positivering gelding heeft. Goed recht is de positivering van een duurzame sociale ordening. Positivering verschilt daarin van codificatie dat positivering latent bestaand recht in woorden vat en zodoende bijdraagt aan een harmonieuze ontwikkeling ervan, terwijl codificatie vanuit een (revolutionaire) blauwdruk nieuw recht schept. Vanwege het abstracte karakter ervan verzet Stahl zich ook tegen het algemene en universele volkenrecht zoals dat sinds Grotius gangbaar was. De nadruk op positivering leidt bij Stahl op zijn beurt echter tot een al te sterk formeel rechtsbegrip. Het recht komt weliswaar voort uit de sociale ordening van een specifiek volk, maar het volk is geen soeverein over het recht. Het recht is het product van een historische ontwikkeling, niet van een volk op een specifiek moment. Revolutie eist universele grondrechten, oftewel de vernietiging van het gehele corpus van natuurlijk gegroeide, historische wetten van het land, zoals die in honderden jaren tot stand zijn gekomen door gebruiken en gewoonten. Die moeten namelijk worden vervangen door een nieuw contract, een handvest dat al het voorbije negeert en nieuwe regels stelt. Revolutie vestigt mensenrechten zonder mensenplichten. Rechten worden gezien als individuele, subjectieve claims. Stahl hanteert echter een heel ander rechtsbegrip. Het recht van de een is niet de tegenpool van de plicht van de ander. Veeleer hangt een recht samen met een plicht voor dezelfde persoon, zoals die in de christelijke gedachte van een roeping samenkomen. Stahl verbindt het recht vooral met instituties, niet zozeer met personen. Personen kunnen slechts handelen binnen de orde van het recht. Deze orde is een christelijke orde voor zover deze gebaseerd is christelijke beginselen, onafhankelijk van het geloof van de onderdanen. Het recht onderhoudt en dient instituties als persoonlijkheid, eigendom, huwelijk en gezin, corporaties, staat en kerk. Door de bescherming van het recht kan de ethische ‘zin’, het

‘idee’ van een institutie tot ontplooiing komen. Veel meer dan vanuit rechten en vrijheden denkt Stahl vanuit orde. De grote fout van het 17e en 18e-eeuwse rationalistische denken is volgens Stahl dat staat en recht opgevat worden als het product van individuele keuzes. De gemeenschappelijke orde gaat echter vooraf aan het individu. Individuele personen worden opgenomen in een hogere orde, die hen voorafgaat en transcendeert. Personen hebben van nature geen rechten, ze worden opgenomen in een rechtsorde en gedragen door instituties. In die zin is de rechtsorde, net als de samenleving, in de woorden van Edmund Burke, een verbond tussen de levenden, de doden en hen die nog geboren moeten worden.4 De staat De staat is, uiterlijk gezien, “een verband van een volk onder een heerschappij.” Een volk wordt gevormd door een “eenheid van bewustzijn en gemeenschappelijke zedelijke maatstaven,” zoals die in haar historische ontwikkeling is gevormd. Belangrijke conservatieve elementen daarbij zijn dat het volk niet tegenover de staat geplaatst wordt en dat onder het volk niet alleen de nu levenden, maar ook het verleden en de toekomst er in worden betrokken. Naar haar wezen is de (veelomvattende) staat een sittliches Reich, de hoogste uitdrukking van de juridische morele en religieuze waarden van een volk. Vanwege de onvolkomenheid van deze aardse werkelijkheid blijft het optreden van de staat echter altijd uitwendig en heeft een juridisch en institutioneel karakter. Deze publieke ordening kan geen innerlijke overtuiging en zedelijkheid tot stand brengen. De menselijke samenleving bevindt zich tussen een ongeordende natuurtoestand en een volkomen zedelijk rijk, het koninkrijk van God. Zo bevindt ook de staat zich, als institutie, tussen organisme (natuur) en persoonlijkheid (Godsrijk) en is hij geen doel in zichzelf. Omdat Stahl de uiteindelijke opdracht van de staat desondanks blijft zien als de realisering van een zedelijk rijk, keert hij zich af van Augustinus en Luther, die het recht en de staat als zodanig als gevolg van de menselijke zondeval beschouwen. (De vraag is echter of Stahl niet in een ander uiterste vervalt.) Ondanks haar menselijke karakter heeft de staat een “zedelijke objectiviteit”, is ze door God geplant en heeft ze een eigen, innerlijke wetmatigheid. Met zijn rechts- en staatsleer verzette Stahl zich tegen een aantal, in zijn tijd dominante opvattingen. Zo zagen Revolutionaire, rationalistische denkers de staat als een utilitaire behartiger van gebundelde individualistische belangen. Voor Stahl verschijnt de staat echter als iets gegevens en objectiefs, is onafhankelijk van de toevallige individuele wil, heeft een zedelijk karakter en brengt het algemene en het bijzondere tot een eenheid. De invloed van Hegel op Stahl is hier overigens onmiskenbaar., met dien verstande dat voor Stahl een persoonlijke, scheppende en concreet handelende God de dragende kracht is, en niet een onpersoonlijke, noodzakelijk voortgaande absolute geest. Tegenover de privaatrechtelijke staatsopvatting van Haller en vele
Ruben Alvarado, ‘Preface to the Principles of Law’, in: Friedrich Julius Stahl, Principles of Law , Aalten, 2007.
4

andere toenmalige Duitse juristen ontwikkelde Stahl een publiekrechtelijke staatsopvatting. De staatsmacht van de vorst berust niet op een verzameling private rechts- en heerschapsverhoudingen, maar heeft een eigen, publiek karakter. Ten slotte is de staat in de romantische, organische rechts- en staatsopvatting van denkers als Fichte, de jonge Schelling, Novalis en Müller een natuurproduct, een lichaam met verschillende vermogens en met burgers als delen daarin verweven. Stahl verzet zich tegen dit opgaan van de samenleving in de staat.5 Het christelijke karakter van de samenleving is in Stahls opvatting van groot belang, niet om burgers een geloofsovertuiging op te dringen, maar omdat alleen het christendom legitimiteit verschaft aan de structuren die nodig zijn om een vrije politieke orde te laten bloeien. Daarom kent Stahl de kerk een belangrijke rol toe in de samenleving. Zoals religie en zedelijkheid oorspronkelijk één waren, zo horen staat en kerk oorspronkelijk bijeen. In het ondermaanse moet de staat de kerk steunen en bescherming bieden. Het christendom draagt een bevoorrecht karakter en de kerk is meer dan een private vereniging. Daarbij betreedt de staat niet zelf het terrein van de religie en blijft hij zijn eigen karakter houden. Omdat de staat echter uiteindelijk een ‘zedelijk rijk’ is, kan hij niet van de godsdienst losgemaakt worden. Waar Stahl soms een vermenging van kerk en staat wordt verweten, wordt echter veelal voorbijgegaan aan het onderscheid dat hij maakt tussen kerk en christendom. Het gaat hem niet om de macht van het instituut kerk, maar om de geestelijke macht van het christendom. Een neutrale staat kan niet bestaan. Is de staat niet christelijk, dan is hij antichristelijk. In staatkundig opzicht gaat het Stahl om vrijheid. In één van zijn Akademische voorlezingen stelt hij: “Wie mag mij een religieus geloof opleggen en opdringen. Wie mag mij als leraar een wetenschappelijke overtuiging voorschrijven, of mij als publicist een overtuiging afdwingen. Hoe kan een wetenschappelijk of technisch genie functioneren als de staat over de schouder meekijkt en creativiteit doodt. Wie wil een agent in de collegezaal?” Stahl onderkent de terechte nadruk van het liberalisme op politieke vrijheden en burgerrechten. Ook heeft hij grote waardering voor de liberale bijdrage aan de bescherming van de menselijke waardigheid, zoals in de humanisering van het strafrecht en in religieuze tolerantie. Deze vrijheid heeft echter een inbedding nodig die liberalisme zelf niet kan verschaffen: religie en moraal. Daarom strijdt Stahl enerzijds voor individuele gewetensvrijheid en anderzijds voor een bevoorrechte kerk. Protestantisme Het Pruisische conservatisme was sterk Luthers-protestants georiënteerd. Bij de Lutheraan Stahl blijkt dit bijvoorbeeld uit zijn opvatting van (evangelische) vrijheid. De mens is onvoorwaardelijk aan Gods wet gebonden, maar is er tegelijk, door de genade, van bevrijd. Gehoorzaamheid aan de wet berust daarmee op een wilskeuze van de persoon, maar ook van het volk. Gewetensvrijheid en persoonlijke vrijheid vormen een natuurlijke begrenzing
5

Dieter Grosser, Grundlagen und Struktur der Staatslehre Friedrich Julius Stahls, Köln, 1963.

van de staat. Her religieuze principe van de innerlijkheid en subjectiviteit, zoals in de Reformatie opnieuw benadrukt, vindt zijn uitwerking in politieke vrijheden. Het Evangelie is de enige werkelijke garantie voor deze vrijheden, niet de meerheidsstem van het volk. Ook wat de begrenzing van de macht van de vorst betreft, staat Stahl in de lijn van Luthers denken over het (lijdelijk) recht van verzet.6 Het protestantisme is voor Stahl de bron van een politieke filosofie die de vrije persoonlijkheid erkent. Hij werkt dit ondermeer uit in Der Protestantismus als politisches Prinzip (1853), een bundeling van vijf voordrachten over het wezen en de invloed van het protestantisme. Volgens Stahl, die overigens sympathiek stond tegenover sommige aspecten van het katholicisme, is alleen het protestantisme in staat de politieke uitdagingen van de moderne tijd het hoofd te bieden. Het wijst immers de weg naar een geordende vrijheid, waarin monarchen enerzijds de vrijheid hebben om de wijzigingen door te voeren die zij nodig achten, maar zich anderzijds gebonden weten aan Goddelijk recht. Autorität, nicht majorität! Stahl is bekend geworden met de leuze Autorität, nicht majorität!, geuit tijdens een van zijn parlementaire redevoeringen.7 Tegenover het meerderheidsdenken en de volkswil van de Revolutie (‘majoriteit’) plaatst Stahl het beginsel van autoriteit. De crisis die veroorzaakt werd door de Revolutie was voor Stahl een crisis in autoriteit, het fundament voor de legitimiteit van de politieke en sociale orde. Tegenover de partij van de revolutie stelt Stahl de partij van de legitimiteit. Dit wordt duidelijk uitgewerkt in de bundeling colleges Die Gegenwärtigen Parteien in Staat und Kirsche (1863). De partij van de legitimiteit erkent een hogere, door God gegeven orde (Fügung Gottes), die boven de volkswil staat. Deze orde uit zich in het historisch gegroeide recht en de gegroeide samenlevingsverhoudingen. In dit licht wordt duidelijk waarom Stahl zoveel waarde hecht aan het erfelijk koningschap. De monarch is het dynamische element in de staat. Gods vrijheid (persoonlijkheid) vindt mede uitdrukking in de vrijheid van de gemeenschap, met als hoogste en ongedeelde autoriteit de wil van de monarch. In die zin is de monarch de personificatie van Gods wil in de staat. Hiermee is nadrukkelijk niet gezegd dat de wil van de monarch gelijk staat aan de wil van God. Stahl is geen theocraat die de monarch ziet als een rechtstreeks doorgeefluik van goddelijke bevelen of onwrikbare metafysische ideeën. Wel heeft de monarch het droit divin, het door God gesanctioneerde recht van gehoorzaamheid. Stahl is geen absolutist. De in de persoon van de koning gefundeerde staat
Het monarchale denken is ook een typisch Luthers element, mede te verklaren vanuit de belangrijke rol van vorsten tijdens de Reformatie in de Duitse gebieden. Hierin verschilt Stahl bijvoorbeeld van de calvinist Groen van Prinsterer die, ofschoon zeer koningsgezind, meer republikeinse trekken heeft en een grotere nadruk legt op het individuele geweten. 7 In Nederland keerde deze leuze terug in het beginselprogramma (1908) van de conservatieve Christelijk-Historische Unie (CHU), in 1980 opgegaan in het CDA.
6

moet ook altijd een rechtsstaat zijn. De koning bezit de staat niet en kan evenmin los van de wetten van de staat functioneren. In de staatkundige hervormingen moet de persoonlijke autoriteit van de koning volgens Stahl behouden worden. Deze dient echter, naar de onvermijdelijke eis van de tijd, aangevuld te worden met een representatieve institutie, zonder in parlementaire hegemonie te eindigen. Stahl heeft zijn gedachten hierover uitgewerkt in het pamflet Ueber das Monarchische Prinzip (1845). Bij de duiding van Stahls opvattingen van monarchie moet bedacht worden dat Stahl in zijn tijd een tussenweg bewandelde tussen enerzijds reactionairen als Haller, die een patriarchaal koningschap voorstonden, en anderzijds revolutionairen die volledige volkssoevereiniteit eisten, ten koste van het koningschap. Stahl is op dit punt een conservatieve hervormer. Het koningschap moet worden aangevuld met volksvertegenwoordiging. Stahl wist het onaantastbare monarchische Prinzip samen te brengen met moderne, liberale ontwikkelingen als de representatieve vertegenwoordiging en de rechtsstaat. Het staatsgezag is, als een persoonlijke wil, voor Stahl ondeelbaar. Tegelijk erkent hij de waarde van Montesquieus gedachten over machtenscheiding. De uitoefening van de verschillende functies van de staatsmacht dient door relatief zelfstandige organen te gebeuren. Stahl verzet zich dus evengoed tegen een democratie waarin alleen de macht van het getal doorslaggevend is als tegen totalitair leiderschap. Ten slotte In deze bijdrage is vooral de nadruk gelegd op de filosofische achtergronden van Stahls denken, zijn verzet tegen de Revolutie en de uitwerking daarvan in zijn politieke en rechtsfilosofie. Beperkte aandacht is geschonken aan zijn optreden in de politieke arena. Van dit optreden kan gezegd worden dat Stahl zoveel mogelijk geprobeerd heeft zijn gedachtegoed in praktijk te brengen, daarbij onvermijdelijk schipperend tussen het noodzakelijke en het mogelijke. Van Stahls denken over kerkelijke aangelegenheden mag niet onvermeld blijven dat dit een gelijkenis vertoont met zijn denken over staat en recht waar het bijvoorbeeld gaat om historie en continuïteit, binding aan belijdenisgeschriften en episcopaal kerkbestuur. Het getuigt van de grote geest van Stahl dat hij een wezenlijk stempel heeft kunnen drukken op zowel het gebied van politieke en rechtsfilosofie als dat van de praktische politiek, het kerkbestuur en het kerkrecht. Stahls filosofie is een filosofie van vrijheid, maar ook van de ordening die noodzakelijk is om vrijheid te laten bloeien. Een probleem met de liberale staatsopvatting is namelijk “dat ze slechts lijkt te gedijen in een maatschappelijk klimaat waarin een aantal waarden min of meer vanzelfsprekend is,” aldus Frits Bolkestein in 1996. Stahl heeft de verankering van de politieke vrijheid gezocht in christendom en instituties. Deze “mannelijke, morele en ordelijke vrijheid” is verankerd in een door de tijd gelouterde rechtstatelijke orde. Stahls levende conservatisme is, ondanks tijdgebonden elementen, nog immer bestudering waard. Het is daarom toe te

juichen dat zijn hoofdwerk, Die Philosophie des Rechts, recent opnieuw toegankelijk is gemaakt. Verder lezen Stahl was een veelschrijver. Naast zijn Philosophie des Rechts verschenen op staatkundig gebied Ueber das Monarchische Prinzip (1845), Der Christliche Staat und seine Verhältniß zu Deismus und Judentum (1847), Die Revolution und die Konstitutionelle Monarchie (1848), de rede Was ist die Revolution? (1852, in datzelfde jaar in het Nederlands verschenen), de bundeling colleges Der Protestantismus als politisches Prinzip (1853) en de rede Ueber Christliche Toleranz (1855). Postuum werden Siebenzehn Parlementarische Reden (1862) en de bundeling colleges Die Gegenwärtigen Parteien in Staat und Kirsche (1868) gepubliceerd. Een Nederlandse vertaling, De politieke en kerkelijke partijen en Europa, verscheen in 1865. Ook op kerkelijk gebied schreef Stahl veel. Die Kirchenverfassung nach Lehre und Recht der Protestanten (1840) is een pleidooi voor het Lutherse, episcopale stelsel van kerkbestuur. Verder verschenen Ueber die Kirchenzucht (1845), Die Lutherische Kirche und die Union (1859), een afbakening van de Lutherse tegenover de andere takken van de Reformatie, Die Katholischen Widerlegungen (1854) en Wider Bunsen (1856), een strijdschrift tegen een louter subjectivistisch opgevat christendom en een volledige scheiding van kerk en staat. Een belemmering voor het lezen van Stahls eigen werk is dat veel ervan slechts beschikbaar is in voor menigeen ontoegankelijk Gotisch Duits. Weliswaar wordt het nog steeds uitgegeven, maar het betreft dan vaak (gebrekkige) fotomechanische herdrukken of (eveneens gebrekkige) scans met tekstherkenning. Het is dan ook zeer toe te juichen dat de AmerikaansNederlandse conservatief Ruben Alvarado Stahls hoofdwerk Die Philosophie des Rechts in Engelse vertaling heruitgeeft. Het betreft betaalbare werken die worden uitgegeven door Alvarado’s uitgeverij WordBridge Publishing (www.wordbridge.net), gevestigd in Aalten (Gld.). In Alvarado’s Stahl Project zijn op het moment van schrijven de delen Principles of Law (2007), Private Law (2007) en The Doctrine of State and the Principles of State Law (2009) uitgegeven. De delen Philosophical Presuppositions en History of Legal Philosophy worden op korte termijn verwacht. Alvarado probeert Stahl overigens nadrukkelijk te verbinden met de traditie van common law. Tevens heeft Alvarado een Engelstalige biografie geschreven, getiteld Authority not Majority: The Life and Times of Friedrich Julius Stahl , Aalten, 2007. De nadruk ervan ligt op het leven van Stahl in zijn historische context, minder op de inhoud van zijn denken. Het wachten is op een omvattende biografie. De laatste poging daartoe dateert uit 1930, waarvan echter slechts het eerste deel verscheen. Het betreft Gerhard Masur, Friedrich Julius Stahl. Geschichte seines Lebens. Aufstieg und Entfaltung 1802-1840, Berlin, 1930. Wel zijn er, met name in het Duitse taalgebied, vele dissertaties over deelthema’s verschenen. Op staatkundig en filosofisch gebied is Dieter Grosser, Grundlagen und Struktur der Staatslehre Friedrich Julius Stahls, Köln, 1963 een aanrader

vanwege zijn grondigheid en helderheid. In dit hoofdstuk heb ik er veel gebruik van gemaakt. Op theologisch gebied kan Otto Volz, Christentum und Positivismus. Die Grundlagen der Rechts- und Staatsauffassung Fr. J. Stahls, Tübingen, 1951 genoemd worden. Over Stahl als politicus handelt W. Schlüssel, Professor in der Politik: Friedrich Julius Stahl. (1802 - 1861), das monarchische Prinzip und seine Umsetzung in der parlamentarischen Praxis, Göttingen, 1997. Opmerkelijk is het uit 1931 daterende artikel van Peter F. Drucker, ‘Friedrich Julius Stahl: Conservative Theory of the State and Historical Development’, beschikbaar via www.peterdrucker.at, ook verschenen als ‘Friedrich Julius Stahl: His Conservative Theory of the State’, Society, vol. 39 (2002), nr. 5, p. 46-57. In het Nederlandse taalgebied is er relatief weinig over Stahl verschenen. Het meeste dat verschenen is, betreft Stahls relatie tot Groen van Prinsterer. Veel informatie over de invloed van Stahl in Nederland biedt de lutheraan Gerard Fafié in zijn kerkhistorische dissertatie Friedrich Julius Stahl: Invloeden van zijn leven en werken in Nederland. 1847-1880, Amsterdam, 1975/1977. Voor zover ik heb kunnen nagaan, is dit de enige actuele, Nederlandstalige monografie die volledig aan Stahl gewijd is. Een vergelijking tussen Groen van Prinsterer en Stahl wordt gemaakt in A. Klink, ‘Groen van Prinsterer en Stahl’, in: J. de Bruijn & G. Harinck, Groen van Prinsterer in Europese context, Hilversum, 2004, p. 55-60. Aandacht voor Stahls verhouding tot de historische rechtsschool, mede in vergelijking tot Groen van Prinsterer, is er in de dissertatie van W.G.F. van Vliet, Groen van Prinsterers historische benadering van de politiek, Hilversum. Veel aandacht voor Stahl is er ook in de dissertaties van de Dooyeweerdiaan J.P.A. Mekkes, Proeve eener critische beschouwing van de ontwikkeling der humanistische rechtsstaatstheorieën, Amsterdam, 1940 en de antirevolutionair I.A. Diepenhorst, Historisch-critische bijdrage tot de leer van den christelijke staat, Amsterdam, 1943. Een historische duiding van Stahls conservatisme bieden Doron Avraham, In der Krise der Moderne. Der Preußische Konservatismus im Zeitalter gesellschaftlischer Veränderungen. 1848-1876, Göttingen, 2008 en James J. Sheehan, German History 1770-1866, Oxford University Press, Oxford, 1993.